Waarom scheidden Joden en christenen?

Aanvankelijk was het christendom gewoon Joods. De verwoesting door de Romeinen van de Tempel in Jeruzalem in het jaar 70 veranderde alles. Lees deze diepgravende, eigenzinnige studie over Israël.

Verwoesting van de Joodse Tempel in Jeruzalem (detail) in 70 na Christus Geschilderd door Francesco Hayez (1791-1882)

Er zijn veel boeken geschreven over Jezus en zijn tijd, en toch zijn er weinig zo helder als het nieuwe boek van Jona Lendering. Deze vrijgevestigde historicus – en recensent in deze bijlage – schreef eerder grote boeken over Alexander de Grote en de Romeinen in Nederland. Nu laat hij zien ook de historische slangenkuil van het vroege christendom te beheersen.

Lendering geeft in zijn goed geschreven en beredeneerde geschiedverhaal de grote lijn. Over een wankele Joodse staat met een intens verdeelde elite vanaf ongeveer 150 voor Christus en over de Romeinen die er aan het begin van de jaartelling de macht overnemen in hun enorme expansiedrift. En over die leerling van Johannes de Doper, Jezus van Nazaret, die in de Romeinse tijd rond 30 n.Chr. vanuit Galilea het aanstaande einde der tijden predikt. In die eindtijd zullen de wetten van Mozes geen garantie voor redding meer zijn, meent hij. Jezus wordt tijdens zijn missie steeds politieker. Hijzelf en zijn twaalf discipelen zullen het komende Koninkrijk der Hemelen gaan besturen, denkt hij. Felle kritiek op het tempelbestuur wordt Jezus fataal.

Lendering vertelt hoe na de Romeinse verwoesting van de Joodse tempel in het jaar 70 de twee enig overgebleven Joodse groepen – de Farizeeën en de Jezusvolgers – langzaam uit elkaar groeien. Die trage scheiding was niet vanzelfsprekend. Het had ook anders kunnen gaan. Dat is de centrale boodschap van Lenderings boek.

Lendering beschrijft fascinerende details, zoals de opvallende rol van Joden in het Romeinse leger bij het neerslaan van de Joodse opstand. En het enorme belang van de weinig bekende Hasmonese koningen in Jeruzalem, die na de Makkabeese opstand (167 v. Chr) een eigen Joodse staat stichtten. Als die Hasmonese koningen zich toen niet om opportunistische redenen hadden afgezet tegen Griekse invloeden, was het Jodendom waarschijnlijk geleidelijk opgegaan in zijn hellenistische omgeving, door gestage verslapping van Mozes’ wetten. De nieuwe agressieve Joodse identiteit maakte de ‘makkelijke uitweg’ onmogelijk. Verdeeld als de Joden waren, opgaan in de volken was toen geen optie meer. Maar het scheelde niet veel.

Kookpot

Het is typisch Lendering dat hij voortdurend heilige huisjes en clichés omver schopt. Hoezo was Israël in de tijd van Jezus een kookpot van apocalyptisch denkende sektes die voortdurend heibel schopten? Sinds de vondst van de Dode Zeerollen net na de Tweede Wereldoorlog wordt die tijd vaak wel zo beschreven, maar Lendering vindt dat allemaal overdreven. Hij laat zien dat alleen rond de Makkabeese opstand en tijdens de Joodse Opstand (66-71 n.Chr.) de eindtijdverwachtingen tot grote hoogte stegen. Verder vind je een fanatiek beleefde eindtijdverwachting eigenlijk alleen bij Johannes de Doper, bij Jezus zelf en in sommige Dode-Zeerollen. Meestal zat er niemand op een Messias te wachten. Er was veel diversiteit in het jodendom, messianisme was maar één van de stromingen. ‘Crisisbewustzijn was onderworpen aan modes’, schrijft Lendering droogjes. De tempeldienst was vrijwel altijd belangrijker dan wereldlijke, nationale of eindtijdaspiraties.

En hoezo is het christendom een afsplitsing van het jodendom? Het christendom is een van de overblijfselen van het oude jodendom, net als het huidige jodendom. Als de geschiedenis een beetje anders was gelopen had het christendom ook best Jodendom kunnen blijven heten.

In het begin was het christendom gewoon Joods. Er waren wel meer Joodse groepen die iets met een Messias hadden, met opstanding uit de dood of met een actievere rol voor ‘heidenen’. De apostel Paulus wordt vaak als scheurmaker voorgesteld, maar Lendering schrijft gedecideerd: ‘voor nagenoeg elk aspect van Paulus’ theologie zijn Joodse voorbeelden.’ Ook andere Joodse groepen lieten niet-Joden toe, ook andere Joodse groepen vereerden middelaars tussen God en de mensen.

Verwoesting

De scheiding tussen wat we nu kennen als christendom en Jodendom is een product van de verwoesting van de tempel in 70. Rome was ondergedompeld in een diepe politieke crisis: de zelfmoord van Nero en het Vierkeizerjaar 69. De Joodse opstand kon mede zo lang overleven omdat de Romeinse veldheer Vespasianus lange tijd politiek voorzichtig opereerde: dus niet zo maar los gaan op die opstandelingen, om daarvoor later misschien gestraft te worden.

Maar uiteindelijk gebeurde het fatale: de verwoesting van de Tempel in Jeruzalem door de Romeinen. Fataal, omdat de tempeldienst, met al zijn reinheidsvoorschriften en offers, het enige was dat alle Joden (inclusief dus de meeste christenen) verenigde. Uit de chaos van Romeinse moordpartijen kwamen maar twee groepen uit het ‘Oude Jodendom’ weer boven water: de christenen en de Farizeeën, die vanaf dan het rabbijnse Jodendom worden genoemd.

Waarom zijn die twee dan niet bij elkaar gebleven? Na negentien eeuwen scheiding worden altijd de inhoudelijke verschillen benadrukt. Maar Lendering ziet daar weinig van. Hij maakt aannemelijk dat de scheiding destijds helemaal niet onvermijdelijk was, de twee groepen waren daarvoor nog veel te verwant. Achteraf lijkt altijd alles logisch, maar dat is schijn.

In de visie van Lendering komt het initiatief voor de scheiding van Joodse kant. De Farizeese leiders creëerden na de verwoesting van de tempel een nieuwe Joods centrum in Jaffa, aan de kust. De rabbijnen wilden vooral orde, en dan op grond van hun eigen opvattingen – een tot dan toe ongehoord idee binnen het jodendom. Als hij maar de tempelrituelen erkende, was vóór het jaar 70 iedere Jood vrij te denken wat hij wilde.

Die nieuwe farizeese machtspretenties konden de christenen niet accepteren. De weerstand werd groter en de verschillen werden benadrukt – zoals goed te lezen is in de anti-Joodse teksten van het Johannesevangelie, geschreven uit rancune over de verdrijving uit de synagoge.

En – zoals dat heet – de rest is geschiedenis. Lendering vertelt ook dat vervolg nog, zoals de nieuwe organisatie van de christelijke kerk in reactie op de groei van gnostische ideeën. En pas in de vierde en vijfde eeuw nam het wederzijds respect tussen Joden en christenen sterk af. De scheiding was een traag én omkeerbaar proces.