Ouder, wijzer, stiller, sadder – en ontroerend

Lillend vlees, verkleedpartijen – laat u maar, schreef een recensente van deze krant over deze fotograaf die zijn toeschouwers geen verbeelding gunt. Zijn kinky werk is inmiddels ingetogen en sereen geworden.

‘Weerzinwekkend’, zo kwalificeerde Janneke Wesseling elf jaar geleden in deze krant de overzichtstentoonstelling van Erwin Olaf in het Groninger Museum. De recensent had zich geërgerd aan de zalen vol kinky feestfoto’s. Waar is de dubbele laag, vroeg Wesseling zich af bij de erecties en het lillende vlees, de barokke verkleedpartijen en de vele geportretteerde travestieten en mongolen. Eendimensionaal werk, concludeerde Wesseling, dat nergens ruimte laat voor de verbeelding en de toeschouwer buiten sluit.

De venijnige bespreking hakte er bij hem in, vertelde Olaf vijf jaar geleden in een interview met Elsevier. Maar uiteindelijk hielp de kritiek hem een ander pad in te slaan. „Het was een soort bevrijding. Ik hoefde niet meer schreeuwend over straat.”

De jaren daarna maakte Olaf een aantal melancholieke portretseries in jaren-vijftig-decors. Fotoseries waarmee hij internationaal zijn naam vestigde, mede dankzij een voorbeeldig verzorgde monografie die de Amerikaanse fotoboekenuitgever Aperture in 2008 van het nieuwe werk uitgaf.

Op die uitgave is nu een vervolg gekomen, dat eenvoudig Erwin Olaf Volume II is gedoopt. Die sobere titel sluit aan bij de ingetogenheid die Olafs werk is gaan kenmerken. De technische perfectie is gebleven, maar de overdaad in zijn geënsceneerde beelden is zo goed als verdwenen en de digitale trukendoos gaat steeds minder vaak open. Hoorde je vroeger uitbundige muziek bij zijn foto’s, bij zijn huidige bloemstillevens en verstilde portretten, geschoten in hotelkamers waar het verdriet aan de muren hangt, is het stil.

Voor Volume II heeft Olaf geput uit zes recente series, aangevuld met een aantal stills uit nieuwe videofilms. Hij borduurt voort op wat hij al eerder heeft gedaan, maar zijn beelden zijn steeds minder verhalend, steeds serener geworden.

Die verstilling is goed te zien aan de reeks Berlin, die Olaf maakte met het geld van de Johannes Vermeerprijs, de staatsprijs die hij in 2011 voor zijn hele oeuvre kreeg. Voor het eerst sinds tijden maakte hij geen gebruik van de decors van zijn vaste setbouwer Floris Vos, maar werkte hij op locatie, bijvoorbeeld in de loge van de Vrijmetselarij waar Hitler wel kwam. Op die beladen plekken in Berlijn portretteerde Olaf zowel jonge meisjes als verlepte theatersterren, foto’s over de spanning tussen schoonheid en vergankelijkheid.

Een deel van die reeks publiceerde Olaf twee jaar geleden voor in DeLUXE, het magazine van deze krant. Een aantal beelden heeft hij daarna verder versoberd. Neem de meest anekdotische foto in het magazine, van een blank jongetje in een double-breasted kostuumpje dat in de loge van de Vrijmetselarij een beschuldigende vinger heft naar een zwarte atleet met een batterij medailles op zijn borst.

Het jongetje is in zijn nieuwe boek verdwenen. In plaats daarvan is de fotograaf zelf in beeld gestapt. In de hal van de loge staat hij voor een trap met een tas in zijn hand, op weg naar het licht. ‘Zelfportret’ heet de nu minder ongemakkelijke foto, die ook nog eens aan warmte heeft gewonnen doordat hij in het boek in zwart-wit is opgenomen.

Twintig jaar geleden leek het ondenkbaar, maar Erwin Olaf is een kunstenaar geworden met ontroering als groot thema. In vraaggesprekken zegt hij te zoeken naar nieuwe horizons en dat je verandert naarmate je ouder wordt. Dat zal zo zijn. Maar misschien verdient Janneke Wesseling in die ontwikkeling op z’n minst een voetnoot.