Hoe wij elkaar en onszelf kooien

In dit genadeloze tweeluik over een man en vrouw, geklemd in een huwelijk, wordt het kleinburgerlijke bestaan ontmaskerd. Existentiële angst en fundamentele eenzaamheid vormen het duistere hart.

Scène uit de Amerikaanse tv-serie Boardwalk Empire Foto Wikia

Even moest ik bij India Bridge denken aan Betty Draper uit de tv-serie Mad Men, de echtgenote van een reclameman uit de late jaren vijftig, begin jaren zestig. Net als Betty ontbreekt het India aan weinig – er is geld, er is een gekleurde hulp, er zijn zeeën van vrije tijd. Maar India Bridge leeft niet in de benepen sferen van de naoorlogse bourgeoisie, maar in de vooroorlogse Depressiejaren. In Lionel Shrivers nawoord bij Mr Bridge, dat ook de nu vertaalde Modern Classic-editie van Penguin sierde, wordt het al opgemerkt: ‘De meeste Amerikanen die net als ik de jaren dertig niet hebben meegemaakt, zien bij de jaren dertig vooral stempellokalen en gaarkeukens voor zich.’ We vergeten gemakkelijk dat er indertijd wel degelijk een middenklasse bestond, die redelijk tot goed boerde en samenkwam voor lunchafspraken op countryclubs.

In Evan S. Connells klassieke tweeluik Mrs Bridge (1959) en Mr Bridge (1969) wordt een huwelijk geschetst van twee langs elkaar heen levende echtelieden die gevangen zitten in de mores van die burgerij. De sterkste van de twee romans is Mrs Bridge, het portret van een huisvrouw in Kansas City, getrouwd met een goedbetaalde maar bijna onzichtbare jurist en moeder van drie kinderen. In 117 ultrakorte hoofdstukken schetst Connell trefzeker haar dagelijks leven. Hoewel veel van die hoofdstukjes uiterst geestig zijn, bouwt zich beetje bij beetje iets anders op: een meelijwekkende beklemming.

De inzet van Connell, die zich invoelend én genadeloos toont, wordt al duidelijk wanneer India Bridge haar eerstgeborene verwelkomt met de angstige woorden: ‘Is ze normaal?’ Na dochter Ruth volgen dochter Carolyn en zoon Douglas. ‘Ze hadden niet meer dan twee kinderen gewild,’ schrijft Connell, ‘maar omdat de eerste twee meisjes waren hadden ze besloten nog één poging te wagen. Maar als de derde ook een meisje was geweest, hadden ze het daarbij gelaten; het zou onverstandig geweest zijn door te gaan met iets wat andere mensen al gauw vermakelijk zouden vinden.’

Mevrouw Bridge is de slaaf van de blik van anderen, en dientengevolge, van uiterlijkheden.

Tafelmanieren

Ze is iemand die ‘gastendoeken’ op het toilet legt – zelden gebruikt, natuurlijk – en mensen beoordeelt op ‘hun schoenen en hun tafelmanieren’, zoals ze verwacht dat anderen ook over haar zullen oordelen. Wanneer haar ondernemende zoon een toren in de tuin bouwt, laat ze die afbreken. Want: ‘De mensen begonnen het vreemd te vinden.’ Ze praat iedereen naar de mond – niet in het minst meneer Bridge – al voelt ze zich daardoor eerder eenzamer dan gezien. Niet voor niets blijft haar blik hangen op een passage in een roman van Joseph Conrad, ‘waarin werd opgemerkt dat sommige mensen over de jaren van hun bestaan heen zweven om dan zacht in een vredig graf weg te zinken, tot op het laatst onkundig van het leven.’

Mr Bridge is als roman minder doelgericht. In deze pendant zien we de late Depressiejaren door de ogen van de echtgenoot, Walter. Hij begeeft zich uit de aard der zaak meer in de wereld, en is ook wereldwijzer dan zijn vrouw, hoewel uiterst conservatief en vooringenomen. Meneer Bridge is de archetypische strenge en humorloze kostwinner. Toch slaagt Connell erin hem dimensie te verschaffen.

Twee thema’s dringen zich in de loop van Mr Bridge op: diepgeworteld racisme en Walters verboden hunkering naar zijn dochter Ruth. Dat racisme, en de worsteling daarmee, wordt door Connell akelig tastbaar gemaakt. Een krantenfoto van een gelynchte neger irriteert Walter – de publicatie acht hij onnodig. Wijzend op het slachtoffer: ‘Er zijn zoveel goede mensen in het Zuiden. Wat heeft deze man gedaan? Vertel eens, wat was die kerel aan het doen wat hij niet had moeten doen?’ Op soortgelijke wijze wordt Walters antisemitisme ontmaskerd. En toch, het ligt er, ook door de herhaling, te dik bovenop.

Connell schreef het boek eind jaren zestig, de tijd van de strijd voor burgerrechten, en het is moeilijk je los te maken van het idee dat dat Mr Bridge te sterk heeft beïnvloed. Veel sterker zijn de scènes over de relatie tussen Walter en dochter Ruth. Ze is in veel opzichten zijn tegenpool – liberaal en bohémien –, maar ze maakt, naast irritatie, ook seksuele gevoelens in hem los. Hij kijkt naar haar wanneer ze zonnebaadt, en later, wanneer hij zich even aangetrokken waant tot een jonge vrouw in een lift, weet hij dat er sprake is van sublimatie. ‘Begeerte naar zijn eigen dochter was bovengekomen uit diepten waar ze verborgen moest blijven.’ Die lading kleurt de interactie met Ruth: wederzijds onbegrip afgewisseld met een vreemd soort kameraadschappelijkheid en behaagzucht.

Lionel Shriver merkt in haar nawoord op dat voor sommigen de nooit geconsumeerde begeerte van Walter zou bewijzen dat hij ‘ziek’ is. Ten onrechte, meent Shriver, en daar sluit ik me bij aan. ‘Een vluchtig gevoel van fysieke aantrekkingskracht van een vader voor zijn dochter komt ongetwijfeld heel vaak voor. Maar in de jaren na het verschijnen van deze roman heeft de westerse cultuur een enorme stap terug gedaan in de richting van preutsheid, benauwdheid, repressie en dwingend opgelegde normen voor alles wat met kinderen en seks te maken heeft.’ In een hedendaagse roman, suggereert ze, zou de auteur uit zelfcensuur van dergelijk scènes hebben afgezien. Onbedoeld laat Connell ons zo naar onze eigen tijd kijken.

Tijdloze kwaliteit

Mrs en Mr Bridge vallen in een traditie van romans die het kleinburgerlijke ideaal ontmaskeren. Denk aan Richard Yates’ Revolutionary Road (1961) of John Cheevers Bullet Park (1969). Net als Evan S. Connell (1924-2013) groeiden Yates en Cheever op met de beklemming van voor- en naoorlogs suburbia. Dat die romans nu nog lezers vinden, laat zien dat ze, naast hun historische waarde, een tijdloze kwaliteit bezitten.

Net als meneer en mevrouw Bridge bouwen ook wij kooien voor elkaar en onszelf, gefabriceerd uit het staal van verwachtingen en doctrines. Daaraan werd ik al lezende nog eens herinnerd. De voortdurende druk van sociale media, de alomtegenwoordigheid van marktdenken, het economiseren van alle aspecten van leven: het reduceert ons tot kooplui, tot marketeers van het ik. Inderdaad, tot buitenkant. Net als meneer en mevrouw Bridge leven wij met een grote afstand tussen het gecultiveerde masker en onze klein gehouden essentie. In het gat daartussen woekert de leegte. Existentiële angst en fundamentele eenzaamheid, die het duistere hart vormen van deze romans, is universeel. Hoewel we ook lachen om India en Walter Bridge – haar naïviteit en onbeholpenheid, zijn kleingeestigheid en zelfrechtvaardiging – voelde ik vooral verdriet en mededogen. Omdat ik ze herkende.