Hij is nooit uit één stuk – hooguit de helft van zichzelf

De buitenwereld dringt diep door in de vijfde roman van Weijts, die een zoektocht vormt naar rust en zuiverheid.

Tekening Paul van der Steen

‘Als je het mij vraagt is het ergste wat een kunstenaar kan overkomen dat hij het gevoel heeft dat hij niet meer aan het begin staat.’ Die verzuchting van de hoofdpersoon staat een beetje verborgen op driekwart van De linkshandigen, de bijzonder uitgevoerde, vijfde roman van Christiaan Weijts (1976). De held van het verhaal, tekenaar Simon Sinkelberg is dan al een kilometer of 300 op de vlucht in het gezelschap van een lastig peilbare celliste.

Sinkelberg is een gespleten man, zoals figuren van Weijts wel vaker in twee delen uiteen vallen. Het overtuigendst komt die gespletenheid tot uiting in zijn kunstenaarschap, al is dat misschien een overstatement. Hij deed de kunstacademie, maar van een ‘vrij’ kunstenaarschap is het nooit gekomen. Toen hij nog in zijn geboorteland Engeland woonde, hield hij zich in leven met het maken van karikaturen van toeristen in de straten van Londen. Na een traumatische gebeurtenis vertrok hij naar Nederland, waar hij faam maakte als de agressief-absurdistische dagbladcartoonist Zink.

De linkshandigen opent met het Waterloo van Zink. Hij heeft voor De Spiegel, de krant die zijn werk al drie jaar op de voorpagina plaatst, een cartoon gemaakt over de Britse telecomgigant S&M. De tekening beeldt de vrouwelijke directeur van het bedrijf af die met een reusachtig oor boven een in een concentratiekamp veranderd Nederland hangt. Ze draagt een SS-uniform, ‘haar vagina hangt boven België […] De bollen van het Atomium ketsen tegen haar clitoris terwijl het glazen koepeldak van het Europees parlement haar penetreert.’

De smakeloze tekening leidt tot zijn vertrek bij De Spiegel. In de woorden van de hoofdredacteur: ‘Je kunt een religie beledigen. Je kunt de koning beschimpen hoe je maar wilt [...] Maar je kunt niet zomaar in het wilde weg multinationals gaan aanvallen. Niet op deze manier. Hun juristen zijn geen derdejaars stagiaires.’

Daarop probeert de cartoonist over te lopen naar De Ochtend, de andere grote krant voor hoogopgeleiden, die ondanks voortdurende animositeit volkomen inwisselbaar is met De Spiegel – het is niet moeilijk om in de twee dagbladen NRC Handelsblad en de Volkskrant te herkennen. Weijts, die zijn sporen verdiende als columnist voor nrc.next en deze krant, becommentarieert de actualiteit regelmatig in de roman. Het gaat vaak over privacyschending, een onderwerp waarover Sinkelberg in de roman opmerkt dat het nu eenmaal niemand interesseert.

Hem wel, al blijkt zijn idealisme hand in hand te gaan met persoonlijke rancune: zijn zus heeft in Londen bij S&M gewerkt en is in dat keiharde bedrijf onherstelbaar beschadigd. Dat deel van De linkshandigen maakt deel uit van de thrillerelementen die Weijts aan zijn verhaal heeft toegevoegd. Er is een oude moord, er worden ledematen langs de snelweg gevonden, Sinkelberg pikt een mysterieuze liftster met cellokoffer op, trekt met deze Katharina naar Frankrijk en meent dat hij onophoudelijk in de gaten wordt gehouden.

Aan het eind van de roman wikkelt Weijts die spannende elementen razendsnel af. Je kunt er een cartooneske uitvergroting in zien, maar overtuigend is anders. Het gaat gepaard met nogal wat knip- en plakwerk in de vorm van spionage, contra-spionage, open en verborgen agenda’s. Alleen de precieze rol van de celliste blijft tot het slot ongewis – en écht spannend.

Veel beter dan wanneer hij zaken kloppend wil maken, is Weijts op dreef wanneer hij dingen uiteen laat vallen. En er breekt nogal wat in stukken in De linkshandigen. Zo is er een schoenenpaar dat onherstelbaar verdeeld raakt, er sneuvelt een barbiepop en Sinkelberg verliest op een haar na zijn hand als er een motorkap op neer klettert.

Het is echter vooral de hoofdpersoon zelf die onophoudelijk dreigt te desintegreren. Veel daarvan komt samen in de eigenschap waaraan de roman zijn titel dankt: linkshandigheid. Sinkelberg hecht grote waarde aan de hand waarmee hij schrijft en tekent. Hij beschouwt linkshandigen als een aparte bevolkingsgroep (waartoe ook de liftende celliste Katharina behoort) en hij weet welke grote linkshandigen de geschiedenis heeft voortgebracht. Vol trots rijdt hij in een Britse automobiel – het stuur aan de rechterkant.

Zelf werd hij in zijn Engelse jeugd verplicht om met rechts te schrijven en te tekenen. Op het moment dat hij noodgedwongen zijn pen in de andere hand nam, werd de bijtende satiricus Zink geboren. Na zijn ontslag lijkt zich een gespiegelde ontwikkeling voor te doen: hij maakt weer tekeningen met rechts en dat zijn andere, minder boze, tekeningen. Hij constateert een verlangen bij zichzelf om een tweehandige tekenaar te worden, een vorm van vervulling die door Weijts uiteraard wordt verbonden met Plato’s gedeelde zielen waarvan de mannelijke en vrouwelijke helft altijd naar elkaar op zoek blijven.

Die zoektocht en de daarbij horende existentiële desoriëntatie van Sinkelberg, wordt door Weijts prachtig getoond: in zijn dwangmatige manier van harde grappen maken, in zijn paranoia over de lange arm van S&M (goeie naam, trouwens), in de natuurlijke harmonie die hij voelt met straatartiesten. Nergens is hij een man uit één stuk, steeds richt hij zich op wat de buitenwereld van hem verlangt – zoals zijn kunstenaarschap altijd een compromis is geweest: in zijn rechtshandige tijd met de toeristen, in zijn linkshandige tijd met zijn opdrachtgevers. Steeds was hij hooguit de helft van zichzelf.

Daarmee komen we bij het sterkste punt van De linkshandigen: de wijze waarop Weijts de constante druk tot contact met de buitenwereld verbindt met de onmogelijkheid om jezelf te zijn, om alleen te zijn. ‘Als je weet dat je onophoudelijk in de gaten wordt gehouden vervaagt uiteindelijk ook het besef dat er in je bestaan hoeken zijn waarin je je kunt afzonderen, plekken waar de deur op slot kan.’

Even verder staat: ‘Wanneer alles gedeeld is, is er niemand meer over om mee te delen.’ Daar zit ook meteen het verband met de zin over het begin van het kunstenaarschap die Sinkelberg zich laat ontvallen. In het begin is de kunstenaar nog één. Daarna beginnen de compromissen en val je in stukken uiteen. Terug durf je niet, want iedereen kijkt mee.

Het is allemaal moeilijk los te zien van de het soort roman dat Weijts heeft geschreven. De linkshandigen is immers zelf ook een roman waar de buitenwereld diep in doordringt – zowel in de vorm van column-achtige observaties als in de wat gekunsteld aangebrachte thrillerelementen. Zo is het boek niet alleen de beschrijving van een verlangen naar rust en zuiverheid, maar ook een uiting daarvan. Christiaan Weijts lijkt zelf op zoek naar een begin – en hij is een eind op weg.