Hermes kreeg geen staf maar een penis in zijn hand

De god Hermes, 6de eeuw v. Chr. Foto Ricardo André Frantz

Tegen de klokkentoren van de kathedraal in Florence zit een forse monnik in een eenvoudige pij, met in zijn handen een miskelk en een kruis. Niets lijkt te verwijzen naar Griekse mythen en toch moet het Jupiter zijn: hij wordt omringd door alle andere ‘planeetgoden’.

De bron voor deze metamorfose van ontzagwekkende donderaar tot goeiige frater is verrassend genoeg een Arabisch magieboek uit de elfde eeuw, waarin elke planeet verantwoordelijk was voor een gebied op aarde. Jupiter stond daarin voor Europa en werd beschouwd als de beschermplaneet van de christenen. Deze extreme transformatie van de Olympische Zeus (Jupiter) was een voorlopig eindpunt in een eeuwenlange reeks van gedaanteverwisselingen en aanpassingen, die de Britse hoogleraar Barbara Graziosi helder beschrijft in De goden van de Olympus. Op het beeld waarmee haar boek begint, het door de Britten geroofde Parthenonfries uit de vijfde eeuw v.Chr. (de Elgin Marbles in het British Museum in Londen), staan de twaalf goden nog in hun klassieke orde. Graziosi noemt ze vertrouwd omdat ze ‘gewoon een familie’ zijn, waarbij ze lijkt te vergeten dat die van incest en overspel aan elkaar hangt.

Al vroeg in de oudheid twijfelde men hoe de goden in gedichten en beeldende kunst werden afgeschilderd, met hun menselijke gedaantes en al te menselijke zwakheden. Euripides begon zijn tragedies graag met een traditionele mythe, om die vervolgens onderuit te halen. De processen in Athene wegens goddeloosheid namen toe, maar men bleef goden met feesten en offers vereren.

Onder Alexander de Grote was er een opleving, maar die meende dat hij zelf goddelijk was. Op zijn veroveringstochten trad hij in de voetsporen van Dionysos en tegelijk wilde hij Herakles overtreffen. Een van de gevolgen van zijn expansiedrift was dat oosterse astrologische tradities zich vermengden met de ideeën over de Olympiërs en dat sommige goden gelijkgesteld werden met de planeten.

Uiteindelijk arriveerden de Olympiërs in Rome, waar ze uit bewondering voor de Griekse cultuur werden ingepast in de Romeinse godenwereld of overgenomen als er geen eigen pendant was, zoals bij Apollo en Dionysos, om het twaalftal vol te maken.

Dat christendom en islam een eind maakten aan de Griekse godsdienst is geen verrassing, maar interessant is hoe christelijke denkers worstelden met die zo flexibele heidense goden en ze daarmee onbedoeld belangrijk maakten. In het bijbelboek Handelingen blijken Griekse goden zelfs in de huid van apostelen te kunnen kruipen. Als Paulus een lamme geneest menen de omstanders dat ze met goden van doen hebben: Barnabas noemen ze Zeus en Paulus Hermes. Met moeite voorkomen ze dat er aan hen wordt geofferd. In de Arabische wereld drongen de goden juist door via de bestudering van de Griekse wetenschap, vooral astrologie, waardoor Herakles als sterrenbeeld de tulband en het kromzwaard van een sultan kreeg. Hermes trof het slechter: hij hield opeens een penis in zijn hand in plaats van zijn traditionele staf, maar dat kwam door een vertaalfout. De heidense Olympiërs vervielen uiteindelijk tot demonen, metaforen, verleidingen en hersenspinsels. Hier had Graziosi kunnen eindigen, maar om het verhaal rond te maken volgt er nog een deel over de herleving van de goden in de Renaissance toen ze weer antieke standbeelden werden.