Column

Een stad die helemaal niet gevaarlijk voelt

Onrust op de campus van Columbia University. Op mijn computerscherm verschijnt een foto van een grote zwarte man met een dikke muts en een nogal elegante boodschappentas. Die is gestolen en ‘please’, als je de man ziet, houd hem in de gaten en bel snel het universiteitseigen Department of Public Safety. Een week eerder ook al een crime alert, weer met een foto van een grote zwarte man met een muts, maar nu in verband met een poging tot verkrachting. Een paar dagen daarna opnieuw dezelfde foto, maar nu met dikke letters ‘apprehended’ erop. Columbia heeft zijn eigen ‘opsporing verzocht’, dat is duidelijk.

Zorg over de veiligheid is ook wel te begrijpen, want Columbia University ligt middenin de stad en je kunt alle gebouwen ook ’s avonds zo binnenlopen. Er is zelfs minder controle dan ik op Nederlandse universiteiten gewend ben. Ook de bordjes met de aansporing je kamerdeur op slot te doen als je ook maar even weggaat, ontbreken hier. De deur valt vanzelf achter je in het slot, dus hier is het vooral geraden je sleutel niet te vergeten om weer binnen te kunnen komen.

Het bestuur van Columbia, zo begrijp ik van vooral de studentes, heeft wel het verwijt gekregen te weinig te doen aan veiligheid en zeker aan bescherming tegen sexual harassment. Dat leidt dan weer tot forums en verhitte debatten en de universiteit heeft inmiddels zelfs een vicepresident speciaal belast met veiligheidsvraagstukken.

Nog altijd wordt er in reisgidsen gewaarschuwd voor de ‘crime’ in New York. Die is er natuurlijk, maar je hebt toch bijna nergens meer het gevoel dat het gevaarlijk is. Een Nederlandse collega hier vertelde me dat ze jarenlang niet door Morningside Park, pal naast Columbia, naar haar werk durfde te lopen. Te veel crack, te veel agressie, te veel berovingen. Nu spelen er kinderen en helpen buurtbewoners de beplanting te onderhouden. De metrostations zien er meestal nogal groezelig uit, maar ze zijn hel verlicht en de treinen zijn vrij van graffiti. Überhaupt zie je bijna nergens meer graffiti en ook dat draagt bij tot het idee dat het veilig is.

Al de eerste keer dat Alexander Rinnooy Kan en ik ’s avonds gingen eten, liet ik in het restaurant mijn splinternieuwe Amerikaanse bankpasje op de tafel liggen. Een dag later ontdekte ik dat pas, maar geen probleem, ik kon het gewoon komen ophalen. Buiten Manhattan zijn er zeker wijken waar het allemaal minder mooi is – Yonkers ten noorden van The Bronx wordt genoemd –, maar zeker toeristen komen daar niet.

Het blijft verbazend dat juist in een stad waar het contrast tussen rijk en arm steeds scherper zichtbaar wordt en waar het leven echt duur is, de sfeer zo heeft kunnen veranderen. Dat is niet alleen het gevolg van jarenlang verscherpt politietoezicht en de bijna definitieve opsluiting in de gevangenis van ongeveer 1 procent van de mannelijke bevolking. De ook in de films van de jaren ’70 en ’80 gedoemde stad aan het einde der tijden straalt in alles weer zelfvertrouwen en trots uit.

Het toch wel erg typisch Amerikaanse optimisme dat lang juist uit New York weg leek, is weer helemaal terug. Onze studenten zijn heel kritisch op hun land en zeker op de politiek, maar uit alles blijkt dat zij zichzelf toch ook zien als degenen die het verschil gaan maken. De papers die ze schrijven (hier essays genoemd), sluiten ze graag af met radicale oplossingen voor ook de grootste problemen.