Een profeet met vele gedaanten in Oost en West

In de afgelopen veertien eeuwen is in Oost en West het beeld van de profeet steeds veranderd. Hij werd gezien als oplichter, generaal, genie of sociale hervormer. En hij boog zich ook nog over het lot van vele vrouwen.

Miniatuur van Mohammed bij de Ka’aba Siyer-i Nebi: Het leven van de profeet, 1595

‘Voor een man die veertien eeuwen geleden heeft geleefd, is Mohammed de laatste tijd veel in het nieuws.’ De ironie van deze openingszin kenmerkt Kecia Ali, auteur van The Lives of Muhammad. Haar boek vormt een aangenaam contrast met de verhitte toon waarop haar personage de laatste jaren over de tong gaat. Ali, docent religiestudies aan de universiteit van Boston, schreef geen zoveelste biografie van de man uit Mekka, maar laat zien hoe het beeld van de profeet in veertien eeuwen is veranderd. In Oost en West.

Hoewel de jongste polemieken over oorlogsgeweld, vrouwenonderdrukking en kindhuwelijk anders doen vermoeden, was het leven van Mohammed de afgelopen twee eeuwen geen inzet van een ‘botsing der beschavingen’, schrijft Ali. Islamitische en niet-islamitische biografen hebben in die tijd juist veel aan elkaar ontleend.

De historiciteit van Mohammed is intussen onomstreden. Zelfs radicale revisionisten onder de historici van de vroege islam erkennen nu dat Mohammed leefde aan het begin van de 7de eeuw. Er zijn alleen weinig geschreven bronnen uit die tijd. Biografen hebben zich verenigd op een rudimentaire canon van zijn levensloop, die zich laat samenvatten in een paar pagina’s en gebaseerd is op teksten uit de 8ste en 9de eeuw.

Ali oordeelt nauwelijks en laat de bronnen zelf spreken. Het boek is academisch, maar Ali neemt de volhouder mee op een fascinerende reis. Ze begint met de vroegste Arabische levensbeschrijvingen van de profeet – de oudste, van Ibn Ishaq, verscheen een eeuw na Mohammeds dood. Deze zogenoemde sira, ontleend aan mondelinge overleveringen, putten uit Bijbelse en vroegchristelijke motieven. Dan presenteert Ali middeleeuwse kerkelijke schotschriften tegen de ‘Saraceense ketterij’ en tegen Mohammed als ‘valse profeet’. Vroeg-moderne auteurs zetten Mohammed niet weg als ketter, maar als oplichter, zoals de anglicaanse geestelijke Humphrey Pridaux in zijn The True Nature of Imposture fully display’d in the Life of Mahomet (1697). In het Midden-Oosten verschuiven in de eerste duizend jaar de accenten in de profetenliteratuur. Er is meer aandacht voor Mohammeds gaven als gemeenschapsleider en generaal. Wetsgeleerden verdiepen zich in overleveringen over zijn doen en laten, om daaruit te leren hoe men een goede moslim kan zijn.

Exotisch

In de 19de eeuw krijgt Europa pas echt belangstelling voor deze inspirator van net onderworpen volken. De islam geldt niet langer als gevaarlijk – het Ottomaanse Rijk brokkelt af – maar als exotisch. In Engeland en Frankrijk verschijnen romantische vertogen over het ‘genie’ van de profeet. Naast dit dweperige ‘oriëntalisme’ doen historici en arabisten in Europa en de VS onderzoek naar de vroegste bronnen van de islam.

Intussen presenteren intellectuelen in Egypte en Brits-Indië Mohammed als bron van inspiratie voor de anti-koloniale strijd, waarbij ze een bijna seculier beeld schetsen van de profeet als sociale hervormer. Voor hen is de profetenbiografie ‘een werktuig om de culturele en intellectuele dominantie van het Westen het hoofd te bieden’.

Al deze biografische genres hebben zich ontwikkeld in reactie op elkaar, laat Ali zien. Islamitische auteurs zetten zich af tegen kritiek uit christelijke hoek en putten daarbij uit westers onderzoek en oriëntalistische apologieën, zoals Thomas Carlyle’s The Hero as Prophet (1882). Ali gaat uitvoerig in op wat ze ironisch ‘de vrouwenkwestie’ noemt. Fascinerend om te lezen is hoe de accenten in de kritiek op Mohammeds huwelijksleven de laatste tweehonderd jaar zijn verschoven.

Polygamie

Volgens de overlevering trouwt de profeet op zijn 25ste de dan 40-jarige, welgestelde weduwe Khadija, voor wie hij handelskaravanen leidde tussen Mekka en Damascus. Hoewel polygamie gangbaar was, blijft zij vijfentwintig jaar zijn enige vrouw. De onderscheiden leeftijden moeten we volgens Ali met een korrel zout nemen: Khadija zou Mohammed zeven kinderen hebben geschonken. Veertig is in de bijbelse en ook in de islamitische traditie een zeer krachtig getal.

Onder islamitische auteurs geldt het huwelijk van Mohammed en Khadija nog steeds als een toonbeeld van echtelijke toewijding en trouw. Het was Khadija die Mohammed steunde na de schok van zijn eerste profetische visioen.

Na Khadija’s dood neemt Mohammed nog elf andere vrouwen, onder wie dochters van zijn drie trouwste metgezellen en de ex-vrouw van zijn pleegzoon. Vroeg-moderne westerse critici zagen in beide levensfasen – monogamie en veelwijverij – pure berekening. Mohammed zou Khadija hebben gekozen en trouw zijn gebleven om haar rijkdom en aanzien. Ook de latere huwelijken zouden zijn ingegeven door eigenbelang: zo versterkte hij zijn netwerk.

In de 19de eeuw werd Mohammeds polygamie voor christelijke auteurs een morele kwestie. Zijn veelwijverij zou wijzen op ‘ongeremde wellust’. Islamitische biografen zien in de huwelijken na Khadija geen onstilbare seksuele honger, maar menslievendheid. Bijna al Mohammeds vrouwen waren al eens getrouwd en zo beschermde hij kwetsbare weduwen. Als hij was gedreven door lust had hij wel gekozen voor jonge maagden.

Dat laatste deed hij maar één keer. Na de vlucht naar Medina (622), nog steeds in rouw om Khadija, zou de aartsengel Gabriël hem hebben gewezen op Aisha, dochter van zijn vriend Abu Bakr. Zij was zeven toen Mohammed een huwelijkscontract sloot, dat twee jaar later werd geconsumeerd. In de 19de eeuw lieten kindhuwelijken westerlingen onverschillig. In warme streken, dacht men ‘rijpen vrouwen snel’. Een eeuw later is de kritiek omgeslagen. Polygamie geldt in het Westen intussen als een, weliswaar vrouwonvriendelijk ‘cultuurverschijnsel’ en nu richten de pijlen zich op het kindhuwelijk met Aisha. Zagen 19de-eeuwse oriëntalisten in die relatie ‘the romance of islam’, nu leidt die tot verwijten van pedofilie. Kecia Ali laat overtuigend zien dat de schaarse feiten over Mohammeds leven even tijd- en plaatsgebonden zijn als wat bewonderaars en critici er veertien eeuwen lang van vonden.