Column

De straat op

De straat op – een hachelijke onderneming, voor de generatie die gewend raakte aan een wereld die zich openbaart via internet: waar iedereen alles al weet, waar ook de stompzinnigste illusie te staven is, waar zekerheden floreren en altijd wel ergens een quote te vinden is die je gelijk geeft.

Op straat heb je dat allemaal niet.

Op straat heerst de waan van de dag, ook al is die niet in de mode (maar tegen de waan van de dag zijn is zo zinloos als het afkeuren van seizoenen). Op straat hoor je zelden volzinnen. En het ergste: op straat zijn veel mensen tamelijk saai – wat ontzettend vaak voorkomt, een misstand waarover je zelden leest, want de deadline nadert en morgen komt de baas weer met zijn lijstje best gelezen stukken.

Wie niet anders kent dan het communiceren via tekstberichtjes, vindt telefoneren vaak al raar en eng. Met de straat op gaan, gaat het vermoedelijk dezelfde kant uit: kijk maar naar de PvdA, waar ze hun mensen voortaan verplíchten naar buiten te gaan en dat ‘robuust idealisme’ noemen – gevaarlijke term, als je niet zo zeker wist dat het machteloze newspeak is.

De straat moet nu concurreren met de werkelijkheid van internet. Je ziet de worsteling met de Google-loze chaos buiten overal. Ik ken nieuwsorganisaties waar ze zich al in ernst afvragen of verslaggevers de straat op mógen – of dat ze hun werk in de nieuwsdienst verplicht achter de computer moeten doen, waar productiviteit zoveel beter meetbaar is.

In dit licht is de affaire rond de ontslagen journalist van Trouw voor de journalistiek extra treurig: prijswinnende held van de straat, en nu ontslagen omdat hij daar mogelijk bronnen zou verzinnen.

Voor een krant die zichzelf verkoopt met de leus ‘Durf te twijfelen’, komt het onderzoek naar zijn stukken rijkelijk laat. Wie nog wel eens een stap buiten zet, zag dit aankomen. In mei stuurde ik de journalist in kwestie een berichtje met vragen. We waren nog maar net aan het bijkomen van het door hem uitgeroepen ‘klein kalifaat’ in de Haagse Schilderswijk, toen staatssecretaris Teeven dramatisch aankondigde dat duizenden Eritreeërs ons land zouden overspoelen. Wat er niet van zou komen, maar wie stond in Trouw prompt naast een busje anonieme „donkere mannen” uit „Eritrea” bij een naamloos „benzinestation” op een vage locatie „aan de zuidgrens” van Nederland?

Juist.

Dus ik vroeg de journalist van Trouw waarom hij daar niet gewoon bijzette waar en bij welke benzinepomp dat was. Ik kreeg een even vriendelijk als onbevredigend antwoord, met de vraag waarom ik er zoveel belangstelling voor had. „Bot gezegd”, schreef ik terug, „als kranten het zo afdrukken is het in theorie mogelijk alles te verzinnen”.

Iedere journalist kent de heilige vijfeenheid wie-wat-waar-waarom-wanneer. Als een antwoord op één of meer van die vragen voortdurend in je stukken ontbreekt, dan heb je wat uit te leggen. Zo niet bij Trouw, althans te lang niet.

Fabuleren is een journalistieke doodzonde. Maar gevaarlijker zijn kranten die nog maar zo weinig buiten komen, dat ze zoiets niet meer doorhebben.