Column

De straat op

‘PvdA’ers verplicht de straat op te gaan”, luidde de krantenkop die ik mijn vrouw bij het ontbijt bijna triomfantelijk voorlas. „Dat wordt hard werken, misschien ook voor de leden”, voegde ik eraan toe. Dit in de verwachting dat ze zich sterk aangesproken zou voelen door het voornemen van haar politieke leiders.

Maar ze vroeg alleen maar, merkwaardig lauw: „Hoezo?”

Ik begon enthousiast uit het artikel voor te lezen. Dat de leiding vond dat het roer drastisch om moest, dat de PvdA-politici voortaan verplicht werden een kwart van hun werktijd buiten de gemeentehuizen, provinciehuizen en Kamergebouw door te brengen, dat de partij omgevormd zou worden tot een ‘buurt- en werkvloerpartij’.

„We moeten dus een soort SP worden”, constateerde ze stroef. „Precies”, zei ik, „daar is toch niks tegen?” Ze haalde haar schouders op: „Behalve dat de SP dat al eerder bedacht heeft. Ik vind dat je de concurrent nooit moet kopiëren. Bovendien, zó geweldig gaat het toch ook met de SP niet?” „Omdat ze daar nog steeds geen nieuwe Marijnissen hebben gevonden”, zei ik, „met oom Emile blijft het behelpen.”

We hapten zwijgend in onze beschuit. De dag was nog vroeg, maar toch minder veelbelovend dan ik op grond van die krantenkop even verondersteld had. Het zou een heldere, prachtige novemberdag worden, maar zouden ook de donkere wolken boven de PvdA eindelijk wegtrekken? Bij wijze van gedachte-experiment stelde ik voor dat wij getweeën een commissie vormden, die de top-PvdA’ers mocht selecteren voor het gemoedelijke contact met ‘de buurt- en werkvloer’.

Samsom viel als eerste af. Geen man om in het buurthuis een cd’tje van André Hazes op te zetten, terwijl de ouwe hap hem met open armen aan de bar opwacht om een klaverjasje te leggen. „Diederik zou er meteen een lezing over het klaverjasspel in het kader van de globalisering van maken”, zei mijn vrouw. „En hij haalt zijn dochter er misschien weer bij om de kaarten uit te delen”, huiverde ik.

Dijsselbloem dan maar? „Te kil en te professoraal”, meende mijn vrouw, „ook al komt hij net als ik uit Eindhoven.” Asscher dan? „Vriendelijke man, maar toch te afstandelijk voor de gewone man”, vond ze. En ze legde uit: „Het wemelt in de PvdA van de nette, aardige academici, maar het zijn geen types die even ontspannen een sjekkie gaan roken met de jongens op de werkvloer.” „Spekman?”, opperde ik. „Als het moet de enige”, zei ze, „en hij kan zijn truitje zó aanhouden, maar ook bij hem vraag ik me af of ze naar hem zullen luisteren als hij weer eens Martin van Rijn probeert te verdedigen.” „Dat doet Spekman dan niet meer, althans, niet openlijk”, voorspelde ik.

„En wanneer ga jij de straat op?”, vroeg ik nog. Ze schudde bokkig het hoofd. „Een kwart van hun werktijd onder de gewone mensen”, zei ze met nauwelijks verholen weerzin, „hoe gaan ze dat controleren? Met een soort prikklok? Of moeten ze op briefjes invullen hoe ze hun vrije tijd doorbrengen? Griezelig.”

„Er komt ook een hulplijn voor PvdA-politici die dreigen vast te lopen in een kwestie”, citeerde ik geruststellend het krantenbericht. „Geldt die lijn ook voor gewone leden?”, vroeg ze. „Ik denk het wel”, zei ik, „maar als het niet zo is wil ik voorlopig wel de honneurs waarnemen.”

Ook dit aanbod leek haar zorgen niet helemaal weg te nemen.