De concurrentie heeft ’t nakijken – wat een feest

Foto Olivier Middendorp

Het lievelingsrestaurant van Johannes van Dam, Le Petit Latin, lag om de hoek van zijn huis en had alles waar hij van hield: goed, eenvoudig Frans eten, regionale gerechten, een inrichting zonder opsmuk en een bijzonder aardige bediening.

Anderhalf jaar geleden dreigde de uitbater, de kleurrijke Fransman Jacques Rouet, het voor gezien te houden. Het was genoeg geweest en hij deed zijn zaak in de verhuur. Gelukkig heeft zijn zoon Julien alsnog besloten de zaak over te nemen en zo staan vader en zoon als vanouds in hun lieve zaakje gasten te verwennen. Slechts vier avonden per week, woensdag tot en met zaterdag.

Om binnen te komen moet je nog steeds een trapje af (dat zal Johannes minder prettig gevonden hebben) en verder is de zaak ook nog precies zoals ’ie ooit was. Twee keer eerder at ik hier en vanaf de eerste minuut voelde ik me thuis. Tafelkleedjes uit de Provence (van die blauw-gele met olijven), de fles wijn op tafel, het menu aan de muur, geen aanstellerij op het bord. Vader Jacques, Zuidfranse man met buik, snor en charmant accent, is de gastheer en doet dit met flair en expertise. Hij licht hoogstpersoonlijk het menu toe, beveelt aan en beantwoordt allerhande vragen. Zoals: wat moet een vegetariër in dit nogal vlezige restaurant bestellen? „Oh, geen probleem”, zegt Jacques, „dan slachten we gewoon een artisjok. Zo gaat dat hier”.

We gaan echter voor vlees en bestellen eerst een terrine fait par Ja et Ju (van het huis dus, 12,50) en een salade gésiers de canard (met eendenmaagjes, 13,50) in een saus van crème fraîche en rode port. In Frankrijk zie je deze salade overal op de kaart, maar in Nederland bijna nooit, wat natuurlijk alles met die maagjes te maken heeft. Jammer, want het is heerlijk, het vlees is smeuïg en romig en de saus ook – zó vol van smaak dat je je bord wilt aflikken. De paté wordt iets te koud geserveerd, maar is van grote klasse, vooral door de bijgeleverde trompettes de la mort (paddestoelen) en het hartje van eendenleverpaté. Er moet vast een hele bol knoflook in zitten, zo smaakt het althans, er zit wat zuur bij (augurk), en artisjokbladeren gevuld met bietjes en kikkererwtenpuree die met koriander op smaak is gebracht. Wat een feest!

Als hoofdgerecht proberen we een beetje in het seizoen te blijven en bestellen we wildzwijnwangetjes in rode wijnsaus (19,50) en eendenbout met truffelsaus (22,50). Die eendenbout is ontbeend, maar heeft dus wel de smaak van de bout meegekregen en is precies goed op smaak; jammer dat het velletje niet wat krokanter is.

De saus met zwarte truffel is weer zo’n volle saus waar ze hier patent op lijken te hebben. De varkenswangetjes hebben een uurtje of vier uur gestoofd en zijn boterzacht en heerlijk met de klassieke saus. De bijgerechten zijn bescheiden, maar in orde: puree (ook weer met truffel, dat had voor mij niet gehoeven) en een schaaltje haricots verts die lekker knapperig zijn.

Inmiddel zitten we aan het (kraan)water en de wijn: pinot noir (21,50 per fles) uit de Aude (Languedoc), omdat we nu eenmaal dol op pinot noir zijn. Deze is (vanwege meer zuidelijk) wat voller dan één uit de Bourgogne en daardoor prima met de stevige vleesgerechten en uitgesproken sauzen.

Ten slotte gaan we voor een dessert: crème bruleé (6,50) en een verrassing van citroen (10,50). De crème bruleé is wat je ervan kunt verwachten, niks mis mee. De citroenverrassing bestaat uit cake, ijs, crème en nog zo wat… best lekker, maar vreselijk machtig.

Dat machtig geldt trouwens voor alles, jeetjemina, we hebben gelukkig geen calorieën geteld maar het moeten er veel zijn geweest. Misschien een beetje te veel zelfs.

De laatste tijd opent in Amsterdam de ene na de andere Franse of Fransachtige zaak haar deuren. Vooral de bistrokeuken is weer helemaal en vogue, het regent steak tartare, confit de canard en tarte tatin. Vaak is het alleen helaas niet goed genoeg; klassiek koken is een ware kunst.

Le petit latin veegt echter met één trefzekere beweging alle semi-Franse nieuwkomers van tafel. Voor lekker, eenvoudig en echt Frans eten blijven we dat trapje naar het souterrain afdalen.