Burke conservatief? Nee, progressief

In Engeland is de 18de-eeuwse denker, schrijver en politicus weer hot. Naar de maatstaven van zijn tijd was hij vooruitstrevend. Hoe kan hij dan doorgaan voor ‘de vader van het moderne conservatisme’?

Edmund Burke, geschilderd door James Barry (1741-1806) Foto Trinity College, Dublin

In 1997 werd in Engeland de tweehonderdste sterfdag van Edmund Burke (1729-1797) herdacht, de letterkundige en politicus die – als auteur van een alarmistisch boek over de Franse Revolutie – vaak wordt gezien als de grondlegger van het moderne conservatisme. Er verschenen veel publicaties en zijn naam werd vaak genoemd.

Opmerkelijk was vooral dat niet alleen conservatieve politici zich op Burke beriepen, maar dat ook de toen kersverse premier Tony Blair hem annexeerde als ideologisch boegbeeld. Het doorgeschoten individualisme van de jaren zestig, waardoor mensen alleen nog oog hadden voor hun rechten en zich van alle plichten jegens de gemeenschap ontslagen achtten, moest volgens de Labourleider een halt worden toegeroepen omdat dit het cement van onze samenleving wegvrat.

Burke had zich weliswaar tegen de Franse Revolutie gekeerd, maar dat was vooral omdat hij scherp inzag dat abstracte idealen tot redeloos fanatisme en bloedige repressie leidden. Bovendien was hij naar achttiende-eeuwse maatstaven buitengewoon vooruitstrevend geweest. Hij was tegen marteling en het doden van homoseksuelen, als Ier was hij voor autonomie van zijn vaderland en gelijkberechtiging van katholieken, hij was van mening dat de kolonisten in Noord-Amerika zich terecht verzetten tegen het Britse kolonialisme, en stelde het machtsmisbruik van de East India Company aan de kaak. Ook wilde hij de macht van de Britse vorst inperken en vond hij dat politici zich moesten organiseren op basis van een visie op het algemeen belang, en niet alleen de belangen van zichzelf en hun vriendjes moesten dienen.

Hondentrouw

Uiteindelijk ging het zogenoemde New Labour van Blair ten onder door de kritiekloze omarming van het neoliberalisme en de hondentrouw waarmee de rampzalige Irak-oorlog van George W. Bush werd gesteund, waarbij de zo vaak over ethiek predikende premier loog dat het gedrukt stond. Blijkbaar had hij niet veel van Burke geleerd en inmiddels zijn het vooral weer conservatieven die met hem pronken.

In Nederland hoor je weliswaar niet veel meer van de in 2001 opgerichte Edmund Burke Stichting – wat niet zo vreemd is omdat deze een Burkeaans conservatisme trachtte te combineren met het bejubelen van Fortuyns populisme en de oorlogszuchtige politiek van de VS –, maar in Engeland is hij weer helemaal hot. Zo schreef het spraakmakende conservatieve Lagerhuislid Jesse Norman de vlot leesbare en enthousiaste biografie Edmund Burke. The Visionary Who Invented Modern Politics, die door de Londense burgemeester Boris Johnson luidruchtig werd geprezen.

De Burke die door Norman wordt geportretteerd vertoont opvallende overeenkomsten met de Burke over wie progressieve auteurs als Conor Cruise O’Brien aan het einde van de vorige eeuw schreven. Norman, die eerder Compassionate Conservatism publiceerde, keert zich dan ook tegen het keiharde neoliberalisme dat sinds Margaret Thatcher binnen de conservatieve partij dominant is, en dat de grootste bedreiging vormt voor de door tradities en gewoontes gevormde, organisch gegroeide gemeenschap die Burke wilde verdedigen tegen rücksichtslose plannenmakers en louter op winst beluste ondernemers. Norman was een van de Tories die David Camerons idee van een Big Society propageerden, en probeert met dit boek de door de economische en internationale ontwikkelingen meegesleurde premier bij de les te houden.

Als intellectuele bijdrage aan het politieke debat is dit boek inhoudelijk en stilistisch van een niveau dat Nederlandse lezers de mond laat open vallen, maar op de historische schets van Burke valt wel het nodige af te dingen. Dat blijkt vooral als we dit boek vergelijken met het eerste deel van de prachtige intellectuele biografie van Burke die David Bromwich, hoogleraar Engelse letterkunde aan de Amerikaanse Yale universiteit, onlangs publiceerde: The Intellectual Life of Edmund Burke. From the Sublime and Beautiful to American Independence.

‘Geen enkele serieuze historicus zal vandaag de dag het cliché herhalen dat Burke de vader van het moderne conservatisme was’, schrijft Bromwich. Hoewel Bromwich zich voortdurend mengt in het publieke debat – hij geldt als een van de venijnigste Democratische critici van Obama, die dan wel een bewonderaar van Burke mag zijn, maar volgens hem zowel visie als ruggengraat ontbeert – benadrukt hij dat Burke een achttiende-eeuwse denker, schrijver en politicus was, die dus binnen die context bestudeerd en beschreven dient te worden.

Demagoog

Bromwich ziet Burke allereerst als schrijver, die echter niet van zijn pen kon leven en daarom als secretaris van enkele politici uiteindelijk zelf in de politiek belandde. Hij gaat in op de literaire invloed van Shakespeare en Milton, en schrijft dat voor Burke ‘ritme, klank en betekenis één zijn’. Om die reden is hij in het verleden – onder andere door Karl Marx – wel weggezet als een demagoog, aan wiens ideeën geen betekenis gehecht moest worden. Bromwich toont aan dat dit onzin is, maar laat wel zien dat het heel moeilijk is exact aan te geven wat Burke nu precies bedoelde, aangezien hij zich meermalen liet meeslepen door zijn emoties en de overdrijving niet schuwde.

Een van de clichés met betrekking tot Burke is dat hij een afkeer had van abstracte ideeën en zich alleen liet leiden door concrete feiten en dat wat historisch gegroeid was. Burkes politieke filosofie, waarvan hij zelf nooit een coherente samenvatting heeft gegeven, was gebaseerd op zijn visie op de ‘menselijke natuur’, wat uiteraard ook een abstractie is. Kenmerkend voor de mens volgens Burke zijn zijn drang tot imitatie en zijn verlangen naar opwinding. Deze niet-morele aandriften geven de mens energie, en kunnen in goede en vruchtbare banen worden geleid door het eveneens aangeboren vermogen tot empathie en door vooroordelen, tradities en gewoonten.

Het is niet waar dat Burke een afkeer had van universele ideeën en het begrip mensheid, en dat hij alleen zou geven om de ‘little platoons’ die de basis van de samenleving vormden. Vaak wordt aangenomen dat hij hiermee onder meer het gezin, de familie, de clan of de lokale gemeenschap bedoelde. Bromwich laat zien dat hij ook een politieke partij of een beroepsgroep hiertoe rekende, en dat hij van mening was dat liefde voor deze kleine kringen slechts de basis vormde voor de liefde voor iemands vaderland en uiteindelijk zelfs voor de gehele mensheid.

De Burke die Bromwich schildert is geen simpele traditionalist en verdediger van maatschappelijke ongelijkheid, maar iemand die wel degelijk was beïnvloed door de Verlichting, en – als auteur van An Enquiry into the Origin of our Ideas of the Sublime and the Beautiful – in zeker opzicht ook een wegbereider van de Romantiek was. Vóór alles was hij echter een briljant auteur en gedreven politicus, die op hartstochtelijke en intelligente wijze reageerde op de gistende wereld om hem heen.