Alsof ze uit een pot stroop gegoten was

In een Hitchcock-achtige spanning broeit een geheime relatie tussen twee vrouwen. Natuurlijk komt het tot een uitbarsting, maar dan met een dode tot gevolg. De Britse schrijfster sleept de lezer in alle wendingen mee.

Erotische briefkaart uit 1920 Foto Bob Thomas/Popperfoto/Getty Images

Frances Wray is zesentwintig en hard op weg een oude vrijster te worden. Haar vader is overleden, haar broers zijn gesneuveld in de loopgraven van de Grote Oorlog en nu woont ze met haar moeder in het grote Zuid-Londense huis waar ze is opgegroeid. Het familiekapitaal is verdwenen, voor personeel is er geen geld en dus komen de huishoudelijke taken neer op Frances.

Ooit zette ze zich in voor de progressieve zaak en liep ze mee in demonstraties, maar dat lijkt lang geleden. Op een gegeven moment worden de geldzorgen zo groot, dat moeder en dochter zich gedwongen zien een deel van de bovenverdieping te verhuren aan een jong echtpaar, Leonard en Lilian Barber – de huisgenoten uit de titel van de nieuwe roman van Sarah Waters.

Waters (1966) had veel succes met historische romans die zich afspeelden in de Victoriaanse tijd (zoals haar debuut Fluwelen begeerte uit 1998). In De Nachtwacht (2006) maakte ze al eerder een uitstapje naar de twintigste eeuw. Dat boek speelde zich af in de jaren veertig, De huisgenoten in 1922. De Engelse titel van de roman, The Paying Guests, is duidelijker dan de Nederlandse; het gaat om huurders, geld speelt een rol.

Het is voor Frances en haar moeder niet eenvoudig om aan de nieuwe situatie te wennen. Ze hebben het geld van de huurders hard nodig, tegelijkertijd is er sprake van klassenverschil. Frances

en haar moeder horen bij de hogere middenklasse, huurder Leonard werkt als klerk op een kantoor. Het kost moeder en dochter dan ook moeite een manier te vinden om met de huurders om te gaan. Negeren kan niet, maar al te bemoeizuchtig wil je ook niet zijn.

Frances (we volgen de gebeurtenissen vanuit haar perspectief) slaapt op dezelfde verdieping als de huurders. Ze raakt steeds meer gefascineerd door Lilian, de vrouw van kantoorklerk Leonard. De onhandige en gefrustreerde Frances bekijkt Lilian met afgunst, wat mooi proza oplevert: ‘Ze was een en al warme kleur en welvingen. Wat paste ze goed in haar vel! Het was of ze erin was gegoten, als uit een pot stroop.’ Later vergelijkt ze Lilians huid met ‘dikke room. Alsof je er een lepel in kon steken. Of een vinger.’ Het is duidelijk: Frances is smoorverliefd op Lilian. Wanneer die haar gevoelens blijkt te beantwoorden, is het hek van de dam.

Omdat hun onstuimige verliefdheid geheim moet blijven, kunnen ze elkaar alleen maar treffen wanneer Frances’ moeder en Lilians man het huis uit zijn. Maar ze worden steeds onvoorzichtiger, want ze hongeren voortdurend naar elkaar, met een intensiteit waarvan ze zelf ook staan te kijken. Die hongerige hartstocht wordt door Waters erg goed beschreven, als ‘iets ongebreidelds’, een organisme dat Frances en Lilian in het keurige huis hebben losgelaten, ‘alsof ze onder dekking van de nacht samen een vluchteling hadden binnengesmokkeld en die op zolder of in een spouwmuur hadden verstopt.’

Het moge duidelijk zijn, Waters is goed op dreef in deze roman. (Al heeft ze het ergens over lichamen die ‘zich verzengend samenvoegen’, maar tegenover die misser staat veel moois). Zoals altijd weet ze ook nu weer een goed tijdsbeeld neer te zetten, zonder dat de research te veel tussen de regels door schemert. Aanvankelijk roept ze dat vooral op door beschrijvingen van de kleren die de vrouwen dragen (en die Frances en Lilian het liefst van elkaars lichaam rukken); later dragen ook de scènes in de Londense rechtbank bij aan het beeld van de jaren twintig.

Want het verhaal eindigt in de rechtbank. De liefde tussen Frances en Lilian is een bom die wel tot uitbarsting móet komen, maar het zou zonde zijn om hier te veel van de plot en de explosie weg te geven. Er valt wel een dode en dat heeft uiteraard grote gevolgen voor alle hoofdrolspelers.

De spanning die Waters in De huisgenoten oproept is te vergelijken met die in de betere films van Alfred Hitchcock: het gaat er niet om wie de dader is, dat weet je al meteen, het gaat om de vraag of de dader zich uit de situatie zal weten te redden, en zo ja: hoe. Waters sleept de lezer mee in steeds nieuwe wendingen, waarbij het draait om de vraag hoe ver je bereid bent te gaan als iemand dreigt op te draaien voor een halsmisdaad die je zelf hebt begaan. Misschien wel verder dan je zou denken, omdat je de weg naar je eigen morele ondergang stapje voor stapje aflegt, en niet in één keer.

Dat deze roman tot de laatste pagina boeit, komt ook doordat Waters haar personages serieus neemt. Ze beschrijft ze met respect, als gelijken van haar en ons, en daarom leven we met ze mee, hoe ernstig ze zichzelf ook in de nesten werken.