Alles past de stem van de duivel

De onbekende schrijver deed twintig jaar over een boek barstensvol verhaallijnen, personages en verwikkelingen, waaruit – met dank aan een duivel – een inktzwart mensbeeld opstijgt.

Jeroen Bosch: Kruisdraging (detail), ca. 1510 Museum voor Schone Kunsten, Gent

Wie is A.N. Ryst? Dat leek op voorhand de spannendste vraag over de vuistdikke roman De harpij, waaraan de auteur volgens zijn uitgeverij ‘meer dan twintig jaar in stilte gewerkt’ heeft. Verder hult de schrijver zich in nevelen. Het is iemand die onder pseudoniem publiceert, wordt gefluisterd.

In elk geval lijkt het eerste boek van Ryst in geen enkel opzicht op de gemiddelde Nederlandse eersteling: hier geen grootstedelijke navelstaarderij, maar een fantasy-achtige legende, die soms aanvoelt als een Griekse mythe, dan weer als een middeleeuwse ridderklucht, een sprookje of een Jeroen Bosch-tafereel. De harpij is tegelijk zo rijp en doordacht en doet zo’n waanzinnig grote greep, dat je wel van ‘volledig’ kunt spreken – een ander zou met dit materiaal een oeuvre kunnen vullen. ‘Een kleine geschiedenis van het paradijs’ luidt de ondertitel – al is dat ook ironisch, voor een boek van deze omvang. Dat is tekenend: alles in dit boek moet serieus genomen worden, al kan er ook serieus om gelachen worden.

Het verhaal begint als een onbestemde man opduikt in de Californische woestijn; deze Maradique zegt een duivel te zijn en begint aan de onderzoekende dokter Gossmeier en een opgesnorde tolk een verhaal uit de doeken te doen over, inderdaad, het paradijs. Het heet hier Boon-Tee. En Maradique vertelt zonder enige bescheidenheid: in vijftien sessies ontspinnen zich talloze verhaallijnen, er is een onnoemelijke hoeveelheid personages, vreselijk veel verwikkelingen. Een van de belangrijkste personen in het oerbos dat Maradique in zijn verhalen optrekt is Binuel, een heengezonden engel, die zich samen met een dichter-op-drift aan de rand van de wereld vestigt, buiten de samenleving. Het is er paradijselijk. Ondertussen zijn in het landinwaarts gelegen dorp Kuonen alle mannen vertrokken. De dichter fungeerde daar als de heimelijke dorpsgigolo – na zijn vertrek en het einde van de vele buitenechtelijke affaires, die een broos evenwicht in stand hielden, dringt de labbekakkerigheid van de echtgenoten volledig door, en de vrouwen zetten de mannen het dorp uit. Het matriarchaat wordt ingevoerd, en kort gezegd: alles gaat mis.

Dat zijn maar twee lijnen, maar ze typeren hoe het verhaal van Ryst zich ontwikkelt. De kwestie die ter tafel ligt is vreedzaam samenleven in de breedst denkbare zin – en de verleidingen waarvoor de mensheid telkens weer valt, juist dóór in groepen samen te leven. Want ‘waar meerdere mensen samenleven met elkaar, heersen de donkere instincten, heersen achterdocht en wantrouwen, jaloezie en ergernis, vervolging en onderdrukking van het zwakkere’. Daar gaan de verhalen dan ook over. En daaraan ligt een inktzwart mensbeeld ten grondslag, zou je zeggen: de toon van Maradique is inderdaad sarcastisch, hij monkelt en schmiert.

De zinnen in De harpij zijn daarnaar: het is geen stijl van subtiliteiten, eerder die van een kampvuurvertelling, en het is even wennen aan de uitroeptekens en gedachtepuntjes, en aan zijn uitspattingen van platheid, flauwheid en sentimentaliteit – maar dat alles past de stem van de duivel perfect. Dat geldt ook voor zijn tempo: er gebeurt veel, tergend veel. Met dokter Gossmeier willen we dat Maradique voortmaakt – maar zo koortsachtig gegrepen door deze merkwaardige vertelling zijn we evenzeer. We blijven maar luisteren, om óók antwoord te krijgen op de vraag waarom wij, nu, dit alles lezen. Waarom vertelt deze duivel dit, waar gaat dit naartoe?

Het is geweldig dat Ryst daar een antwoord op geeft, dat bevredigend visionair is (en niet louter inktzwart) en duidelijk maakt dat al die verhaallijnen nu eenmaal een adequate weergave van de geschiedenis van de mensheid vormen. En de worsteling waard. Wie A.N. Ryst is, is niet interessant. Wel: of De harpij zijn definitieve boek is. Ik zou, enigszins beduusd, zeggen van wel.