Weg naar Cambodja is met leugens geplaveid

Het gaat maar om een paar dollar maar ik baal enorm, want het is een principekwestie. Aangekomen op het vliegveld van Phnom Penh heb ik een visum nodig. Dat wist ik. Van tevoren had ik gezien dat met een Nederlands paspoort bij aankomst een visum bij aankomst verkrijgbaar is. Wat ik niet had gezien was dat een visum dertig Amerikaanse dollar kost. De vriendelijk lachende beambte achter het loket wijst mij naar een pinautomaat. „Geen probleem. U kunt dollars pinnen”, zegt hij.

Ik ga pinnen en keer terug. „Heeft u een pasfoto”, vraagt hij. Weer moet ik ontkennend antwoorden. Kennelijk had ik dit allemaal wat beter moeten voorbereiden. „Geen pasfoto, geen probleem”, zegt de Cambodjaanse beambte welwillend. „Dat is wel vijf dollar extra.”

Er staan op het vliegveld veel informatieborden, over ebola, over mensensmokkel, over drugshandel, over goedkope simkaarten, over het vermijden van louche taxichauffeurs. Maar nergens staat vermeld dat een pasfotoloos visum vijf dollar extra kost. Ik geef hem een biljet van vijftig dollar, de enige coupure die uit de pinautomaat kwam. „Ai, dan moet ik helaas vijf dollar rekenen omdat u niet gepast of met kleingeld kunt betalen”, zegt de beambte even vriendelijk.

Ik baal. Ik knik. Hij neemt mijn paspoort in en geeft het aan een collega die het visum er in plakt. Ik had op mijn strepen kunnen staan en een verhaal kunnen houden over hoe kleine corruptie niet alleen de geloofwaardigheid van Cambodja als rechtsstaat aantast maar ook fnuikend is voor economische vooruitgang. Dat is wat experts van de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds altijd zeggen. Maar ik hou mijn mond, want ook ik ben niet eerlijk. Zoals altijd reis ik op een toeristenvisum, terwijl ik naar Cambodja wil om journalistiek te bedrijven.

Als de immigratiebeambte een beetje scherp is, weet hij dat ook. Op mijn Indonesische verblijfsvergunning in mijn paspoort staat het woord journalist, toegegeven in een klein font. Dat is toch een ander beroep dan ‘consultant’, wat ik heb ingevuld op de visumaanvraag. Onze leugenachtige wederzijdse verstandhouding is simpel: hij krijgt zijn tien dollar, ik mag het land in.

Gedoe met visa is standaardpraktijk. De Birmese president Thein Sein beloofde vorig jaar dat journalisten moeiteloos een pas konden krijgen om te werken. Na telefoontjes naar de Birmese ambassades in Jakarta („misschien over twee jaar”), Singapore („kan niet”) en Kuala Lumpur („journa-wat?”) sloot ik mij op een ochtend toch maar aan in de rij backpackers voor de Birmese ambassade in Bangkok.

In Jakarta kwam ik er vorig jaar achter dat de agent – een tussenpersoon – die ik toen gebruikte op mijn naam een tiental Pakistaanse gastarbeiders van valse documenten voorzag. Ik kwam er achter toen mijn vrouw op zijn kantoor een map van tafel griste met vergunning aanvragen vol foto’s van Melle Garschagens met dikke snorren en bruine ogen. Ze schrok nogal.

Sindsdien heb ik een nieuwe agent. Of hij beter is, weet ik niet. Geregeld stuurt hij mij per ongeluk documenten en aanvragen van collega’s. Zo ken ik inmiddels de doopnamen van mijn katholieke collega-journalisten in Jakarta. Ook doet hij zijn bijnaam Pak Satu Juta Lagi (meneer nog een miljoen extra) eer aan. Iedere stempel extra die nodig is, kost bij hem een bak geld. Maar zelf alle ministeries en instanties af gaan, lijkt mij geen goed idee. Het is tijdrovend en de kans is aanwezig dat ik dan zelf smeergeld moet betalen. Nu kan ik doen alsof mijn neus bloed. Net als alle expats van alle grote bedrijven in Indonesië besteed ik op deze manier waarschijnlijk mijn omkoping uit. Heel effectief, maar zo blijven die foute ambtenaren helaas wel in bedrijf.