Vrouwen schrijven niet met hun tieten

Speciale literatuurprijzen voor vrouwen zijn achterhaald, vindt Niña Weijers. Schrijfsters moeten de lat gewoon iets hoger leggen. (Want de AKO Literatuurprijs gaat vanavond wéér naar een man.)

Cover van The long desire van Max Weatherly

Toen ik het omslag van de vierde druk van mijn roman zag, moest ik even slikken. Niet alleen omdat het, mijns inziens, subtiele ontwerp nu werd doorbroken door allerlei sterren en quotes, maar ook omdat ik dacht: o nee, het is een vrouwenboek geworden. Er waren roze letters bij gekomen die vermeldden dat ik een prijs had gewonnen, de LINDA werd geciteerd, en ook nog eens de Opzij. Ongerust mailde ik mijn uitgever: „Gaan mannen dit nog wel oppakken in de winkel?”

„Maak je geen zorgen”, schreef ze terug, „je reputatie is serieus genoeg”.

Binnen een paar zinnen was vastgesteld dat

1. Vrouwenboeken niet serieus te nemen zijn

2. Serieus genomen worden eerder gebeurt ondanks het vrouwzijn, dan dankzij.

Ik bedoel: zouden mannelijke schrijvers zich wel eens bezorgd afvragen of ze wel serieus genomen worden? Of hun boeken niet een al te mannelijke indruk wekken?

Vorig jaar hield schrijfster Lionel Shriver de Anna Bijnslezing, over het belang van aandacht voor vrouwen in de literatuur.

I’ve had it up to my eyeballs with the subject of this lecture”, begon ze. Dat sentiment herkende ik. Hoe vaak hebben we er niet al over nagedacht, gelezen, gediscussieerd? Hoeveel treurig stemmende statistieken over het aandeel vrouwelijke winnaars van literaire prijzen zijn er de afgelopen jaren niet in ons gezicht gewapperd? Neem de AKO, die vanavond wordt uitgereikt. Ik hoef geloof ik niet meer te zeggen dat er zes blanke mannen op de shortlist staan, met een gemiddelde leeftijd van 65.

In een stuk in Vrij Nederland met de enerverende titel ‘Vrouwen, leg de lat eens wat hoger!’ stelde schrijver Jamal Ouariachi een paar maanden geleden: „De Anna Bijns Prijs en de Opzij Literatuurprijs zijn voorbeelden van hoe het niet moet: ze zijn gebaseerd op de veronderstelling dat vrouwen in de Nederlandse literatuur zielig zijn en er op eigen kracht niet komen.”

Er is heus wat voor te zeggen. Het is ook niet ideaal, seksistisch zelfs, zo’n prijs alleen voor vrouwen. Alsof de vrouw een minderheid is, laat staan een aparte afdeling.

Vrouwen denken niet met hun tieten, en ze schrijven er als het goed is ook niet mee. De hele genderdiscussie maakt me af en toe moe, omdat fictie nu juist de plek bij uitstek is om de categorieën man/vrouw te laten varen. Wanneer ik schrijf, en wanneer ik lees, ben ik helemaal niet bezig met mijn sekse. Dat mijn vrouwzijn óók bepaalt wat en hoe ik schrijf zal ik niet ontkennen, maar uiteindelijk toch niet meer dan alle andere componenten – nationaliteit, sociale achtergrond, educatie – die mijn identiteit bepalen.

Prietpraat en ‘Viva-filosofietjes’

De vrouwelijke schrijver als categorie zou onderhand overbodig moeten zijn, potsierlijk, een artefact uit het verleden. Maar helaas: vrouwelijke schrijvers opereren in een wereld waarin vrouwen er nog altijd van beticht worden te schrijven over wissewasjes, niet verder te komen dan het fictionaliseren van hun eigen leven, het kleine, het intieme. Om met Ouariachi te spreken: „Wie de aandacht van de wereld wil, moet opvallen. En dan red je het niet met eens in de drie jaar een traditioneel romannetje van 250 pagina’s.”

Toen ik het zelf overigens waagde een aantal ideeën over het leven en de wereld in mijn roman te verwerken, werd ik door een handjevol mannen beschuldigd van prietpraat en ‘Viva-filosofietjes’. Van schrijfster Esther Gerritsen vernam ik later dat feitelijk iedere vrouwelijke schrijver dit overkomt op enig moment, het hoort erbij, pas na wat serieuze prijsnominaties ebt het weg.

Serieuze prijsnominaties: die zijn in Nederland vernoemd naar boekwinkelketens of overleden mannelijke schrijvers. Wat dacht je van Constantijn Huygens, P.C. Hooft, F. Bordewijk, Jan Campert, Bob den Uyl, Jan Hanlo, J.C. Bloem, C. Buddingh’, Anton Wachter, al is die laatste strikt genomen geen mannelijke schrijver maar een mannelijk personage uit de pen van een mannelijke schrijver.

Op de Ida Gerhardt Poëzieprijs en de Anna Blamanprijs na, krijgen mannen geen prijzen die naar vrouwen vernoemd zijn.

Eenzelfde mechanisme merkte ik op toen ik me afvroeg of mannelijke schrijvers in blurbs – aanbevelingen op achterflappen van boeken met woorden als ‘meesterwerk’, ‘briljant’ en ‘verbluffend’ – wel eens vergeleken worden met vrouwelijke, zoiets had ik eigenlijk nooit gezien. Toen ik de zaak verder onderzocht, leverde dat één resultaat op: Jeffrey Eugenides die werd vergeleken met George Eliot.

George Eliot, u weet wel: Mary Ann Evans, de Victoriaanse vrouw die zich een mannelijk pseudoniem aanmat om serieus genomen te worden. Slimme dame, dat moet gezegd.

De angst voor vrouwelijkheid in de literatuur is anderhalve eeuw later nog altijd niet helemaal verdwenen. In een essay over vrouwelijke winnaars van de Librisprijs, of liever gezegd, het gebrek daaraan, opperde Margot Dijkgraaf dat van oudsher het mannelijke schrijven de canon van de Nederlandse literatuur bepaalt. Van jongs af aan zijn vrouwen het gewend om mannen te lezen, zich niet alleen te verplaatsen in hun belevingswereld, maar die te beschouwen als een universele belevingswereld.

Dat is meteen ook het hele probleem van deze discussie: die wordt door mannen nauwelijks serieus genomen, want hij gaat hen niet aan. Het gaat toch om de kwaliteit van het geschrevene, anders niets, beter dan zeuren kunnen vrouwen zelf de lat eens wat hoger leggen. Meer schrijven, dikkere boeken schrijven, meedoen met de jongens.

Minder enge definities

Maar misschien is het tijd om die hele lat eens te herzien. Want zolang mannelijkheid als standaard geldt, zal vrouwelijkheid daar een afgeleide van blijven. Wat zou het een opluchting zijn als er, om te beginnen, minder enge definities worden gehanteerd van wat ambitieus is, wat universeel is, wat mannelijk en wat vrouwelijk. Niet om alles gelijk te schakelen, of sekse te ontkennen, maar juist om meer diversiteit toe te laten in het discours.

Ik ben optimistisch. De Anton Wachterprijs had deze editie veel meer vrouwelijke inzendingen dan mannelijke, Granta’s tienjaarlijkse ‘20 under 40’-lijst bevatte in 2013 voor het eerst meer vrouwen dan mannen, vorig jaar won de piepjonge Eleanor Catton de Booker Prize met haar baksteen The Luminaries.

Om me heen zie ik jonge vrouwelijke schrijvers en dichters die grootse ambities hebben, naar de wereld kijken, niet bang zijn zich uit te spreken, ook niet als vrouw.

Hopelijk heeft de Anna Bijns Prijs zich over twintig jaar overbodig gemaakt, of beter nog: zich opengesteld voor zowel mannelijke als vrouwelijke inzendingen.

Ik zie het wel voor me: Peter Buwalda, winnaar van de Anna Bijns Prijs 2034, heeft een meesterwerk geschreven dat herinnert aan het werk van Hella Haasse, met een vleugje Charlotte Mutsaers.