Column

In Amerika is alles beter – en eenvoudiger

Er is altijd een flinke dosis afgunst in Europa ten aanzien van de Amerikaanse economische politiek. Waren wij maar zoals zij. Crisis in 2008? Geldkraan open, geloofwaardige stresstests voor de banken en meteen gedwongen kapitaliseren die hap. En ze ook even verlossen van die giftige hypotheekportefeuilles. En dan: begrotingstekort laten oplopen, je niet druk maken over de staatsschuld. Komt wel goed. De economische groei die ontstaat door al deze besluitvaardigheid dringt die schuld vanzelf terug.

Slagvaardig beleid, dit alles de steigers gezet in – wat zullen we zeggen – een half jaar. Ah, hadden we dat in Europa maar gedaan. Kónden wij dat in Europa dat maar. Maar ja, die Poolse landdag van ministers van Financiën, premiers, presidenten en centrale bankiers van alle verschillende eurolanden, met voortdurend wel ergens een verkiezing, stond en staat dat in de weg. Nog los van assertieve Europese commissarissen en obstructie door landen als het Verenigd Koninkrijk. En een financiële markt die nogal neigt naar de Angelsaksische zienswijze en in de regel ook overeenkomstig handelt.

Wel, zal je zeggen, dat komt er van als je een muntunie lanceert zonder politieke unie. Want dát zijn de VS: een muntunie met een politieke unie. Maar dat argument, hoe terecht ook, doet eigenlijk niet ter zake. Het is gratuit, en intellectueel ook best een beetje lui.

Hoe een Amerikaan er tegenaan kijkt, bleek in mei van dit jaar al uit het boek Stress Test, waarin de voormalige Amerikaanse minister van Financiën Timothy Geithner terugkijkt op de crisis. De Europeanen komen er als individuen best goed van af, maar als collectief zijn ze een ramp om mee te werken. Zo’n boek is natuurlijk vrij diplomatiek.

Hoe Geithner er écht over denkt blijkt nu uit de uitgeschreven interviews die aan het boek ten grondslag liggen. Die lekten dinsdag uit via de Financial Times. De passages zijn smakelijk (en terug te vinden op het Alphaville-blog van de FT). Het aardigst is Geithners relaas over de fameuze formulering, waarmee ECB-topman Maria Draghi tijdens een toespraak voor bankiers en hedgefondsmanagers in Londen de eurocrisis bezwoer. Draghi zei ‘whatever it takes’ te doen, en kalmeerde daarmee de markt.

Doordacht, uitgekiend en strategisch gebracht? Een meesterzet? Mwah. Hier is Geithner over Draghi, ongecensureerd (met dank aan Alphaville). „ He was troubled [...] because at that point all the hedge fund community thought that Europe was coming to an end. I remember him telling me [about] this afterwards, he was just, he was alarmed by that and decided to add to his remarks, and off-the-cuff basically made a bunch of statements like ‘we’ll do whatever it takes’. Ridiculous.”

Draghi deed dus maar wat. Het werkte, maar om zoiets essentieels te improviseren is voor Geithner dus ondenkbaar. Is het ook ‘belachelijk’? Ja, als je gewend bent de regie te hebben. Maar zonder dat? Het blijft kennelijk moeilijk voor Amerikanen om zich dat voor te stellen.

Bij de IMF-vergadering vorige maand in Washington ontstond een aardige woordenwisseling tussen topeconoom en oud-minister van Financiën Larry Summers en de Duitse minister van Financiën Wolfgang Schaüble. Schaüble vroeg Summers, na de zoveelste sneer over de Europese besluiteloosheid, wat hij zou doen als South-Carolina politiek onafhankelijk was, bankroet ging en de rest van de VS dreigde mee te slepen?

Summers rechtte zijn rug, en antwoordde: „Dan zouden wij er in ieder geval niet het IMF hebben bijgehaald.”

En daar, dat moet gezegd, had de Amerikaan ook wel weer een punt. Zwakte wordt het best gedragen met gratie.