Iedere dag doden bergen

Er wordt nog altijd hevig gevochten in Aleppo. Khaled Hajjo (de man op de voorpagina) leidde er een reddingsteam dat zocht naar slachtoffers. Na weer een bombardement zei hij: „Daar, ergens in het puin, wacht iemand op jullie.

Foto Sebastiano Tomada/Getty Images

Het wordt stil als Khaled Hajjo tussen de gehavende gevels van Aleppo verschijnt. Hij begeeft zich tussen tientallen jongens en mannen, buigt zijn wit gehelmde hoofd en begint te bidden. Door de megafoon met de kleuren van de vlag van het Vrije Syrië die iemand voor zijn mond houdt, vraagt hij om een zegen voor de doden.

Drie collega’s uit het reddingsteam van Hajjo zijn enkele dagen eerder omgekomen, toen ze slachtoffers van een bombardement uit het puin groeven. Het is een van de sinistere wetmatigheden in de oorlog van Aleppo dat na een eerste luchtaanval een tweede komt. Om ook de allerlaatsten die zich nog weren tegen de destructie het zwijgen op te leggen.

Na het gebed van Hajjo begint de demonstratie. Het vrijdagse ritueel is door de buitenwereld allang vergeten, maar voor de bewoners van de wijk vormt het protest tegen het bewind van Assad een afleiding in hun belaagde bestaan. Met de armen om elkaars schouders deint de groep op een hoge jongensstem die zingt: „Vrij vrij Syrië. Een revolutie voor vrijheid en waardigheid.” Vanaf een pokdalig balkon zingen twee kinderkopjes mee. Onder de druilende hemel vormt de bijeenkomst een mengeling van tragiek en heldendom.

In de stad wonen nog tienduizenden die niet op de vlucht zijn geslagen

Oost-Aleppo, waar tientallen rebellengroepen in wisselende allianties de dienst uitmaken, is nagenoeg omsingeld door het leger van Assad, en vanuit het oosten nadert IS. Het merendeel van de bewoners sloeg het afgelopen jaar op de vlucht. Via een smalle levensader aan de noordkant van de stad komt er nog handelswaar naar de tienduizenden achterblijvers die te arm, te fatalistisch of te koppig zijn om te vertrekken. Dat verklaart de stalletjes met sinaasappels en tomaten en de koopwaar in de kleine schemerige winkels in de paar wijken waar nauwe straten en hoge huizenblokken nog enige bescherming bieden tegen beschietingen en luchtaanvallen. Maar in andere delen van Oost-Aleppo is de destructie zo totaal dat elke herinnering aan de levendige oeroude handelsstad een uit de hand gelopen fantasie lijkt. Ook in de wijk Masakan Hanano, waar het kantoor van Hajjo’s Civil Defense Force staat, puilen vloeren en plafonds uit restanten van gebouwen. Rook walmt boven de brokstukken omhoog. Er klinken inslagen en schoten. Wie het lage witte gebouw van het reddingsteam ziet, kan maar een ding denken: hoe lang zal het er nog staan?

De kalmte waarmee de 30-jarige Khaled Hajjo in een ruimte met een rommelig bureau, enkele leunstoelen en dozen met pikhouwelen zit, lijkt onbegrijpelijk. Hij zoekt zelf ook naar woorden om die kalmte te verklaren. Als hij ze uiteindelijk gevonden heeft, klinken ze berustend: „Als God vindt dat mijn tijd gekomen is, is het mijn tijd.” Hij steekt een zoveelste sigaret op. Roken is in zijn team net zoiets als ademen.

Er waren geen reddingswerkers in Aleppo, wat Khaled Hajjo gek vond

Hajjo is de leider van de dertig reddingswerkers in de wijk en ook over de paar andere teams in de stad zwaait hij de scepter. Ruim drie jaar geleden stopte hij met zijn studie rechten om mee te doen aan de protesten tegen het regime. Daarna werkte hij een tijdje als onderwijzer onder het nieuwe bestuur dat in het oostelijke stadsdeel door burgers was opgezet. Toen in de loop van 2012 gewapende rebellengroepen aan invloed wonnen, namen de bombardementen van het regeringsleger toe. „Ik realiseerde me dat we artsen, politici, en rebellen hadden, maar geen reddingswerkers.”

Zo ontstond in 2013 het idee om de Civil Defense Force op te zetten. Aanvankelijk trok een tiental vrijwilligers eropuit met boerengereedschap zoals schoppen en bijlen. „We bezaten geen uniformen en mensen waren wantrouwig als we aankwamen.” Inmiddels is het team een begrip. Soms rukken Hajjo en zijn mannen wel dertig keer op een dag uit. Bij een van hun zwaarste operaties haalden ze in negen dagen meer dan 40 doden uit het puin.

Ze zoeken lijken onder het puin, en ze zingen om de angst te onderdrukken

Het bergen van lijken vinden Hajjo en zijn collega’s een stuk beter te verdragen dan het verzamelen van afgerukte ledematen. Soms, als het werk te veel in hun hoofden spookt, dansen ze tot ’s avonds laat of houden ze een stevige knokpartij. Het team draait in ploegendiensten, maar Hajjo is altijd op zijn post. Net als de geadopteerde lapjeskat Lu Lu. „Een leven redden maakt gelukkig”, verklaart hij zijn gedrevenheid.

De Defense Force van Aleppo heeft al eerder medewerkers verloren, maar de dood van drie collega’s in de kleine hechte groep, is hard aangekomen. Hij heeft zijn mensen bijeengeroepen. „Wie weg wil uit het team, moet gaan. Ik kan jullie niets meer garanderen.” Niemand vertrok. En dus roept Hajjo als er bommen dreunen, wat hij altijd roept: „Laat nu alles achter, ook je angst. Daar, ergens onder die brokstukken wacht iemand op jullie.”

Hajjo is te verlegen om in detail te treden over het deuntje dat ze zingen als ze dicht tegen elkaar op de bank door de straten scheuren:

„Hé fucker, je ligt begraven, we komen je opsporen.

Hé fucker, je staat in brand, we komen je blussen.”

Af en toe schreeuwen ze onderweg hun wilsbeschikking naar elkaar. Een helm voor de een, een lamp voor de ander. Of ze wensen dat hun lijf intact blijft als de dood toeslaat. Dat scheelt collega’s het moeizame gesprokkel naar lichaamsdelen.

Oppassen voor de vaatbom: een oliedrum gevuld met dynamiet

Op het terrein van het reddingsteam speurt de oudste vrijwilliger die tegen de zeventig loopt, het luchtruim af. Er klinkt weer een dreun, maar het team blijft waar het is. De raket is beland in een deel van Masaken Hanano waar toch niets meer te vernielen valt. De bewolkte hemel brengt relatieve rust. Dan blijven de helikopters met hun vaatbommen aan de grond.

De vaatbom is de grootste vijand van het team. De oliedrum of container gevuld met honderden kilo’s dynamiet, allerlei soorten schroot en soms ook chloorgas maakt hele gebouwen met de grond gelijk. Soms vallen er tientallen per dag. Als een zwart stipje komen ze in zo’n onvoorspelbare baan aanzeilen, dat ze mensen doen verstijven. De paar seconden twijfel over een vluchtrichting kunnen fataal zijn.

Het oostelijke stadsdeel is weerloos tegen de aanvallen vanuit de lucht. In een handjevol pick-ups patrouilleren strijders met zelfgemaakt afweergeschut in de laadbak. Het betere materieel wordt ingezet aan het front buiten de stad. Medische hulp is er nauwelijks meer voor de overgebleven burgers. Van de duizenden artsen zijn er nog maar enkele tientallen over. Ziekenhuizen zijn voortdurend doelwit. De kliniek in Masaken Hanano waar Hajjo en zijn team naartoe racen met gewonden, mist de bovenste twee verdiepingen na een inslag.

Volgens schattingen van mensenrechtenorganisaties kwamen in de eerste helft van 2014 alleen al door vaatbommen ruim 1.800 mensen om het leven. Het overgrote deel van de doden en gewonden komt op rekening van de troepen van Assad. Ook de rebellen maken slachtoffers bij hun aanvallen op het westen van de stad. De twee miljoen inwoners die daar onder het bestuur van Assad leven, lijden minder onder de oorlog dan de Syriërs in het kleinere oostelijke stadsdeel. Maar elektriciteit en water haperen regelmatig, de prijzen zijn gestegen, en overal bivakkeren ontheemden.

Via internet, dat af en aan functioneert, laat Hajjo eind april weten hoe het team een van zijn meest tragische operaties heeft uitgevoerd. Na een bombardement door het regime op een school haalden de reddingswerkers ruim twintig gedode kinderen en leraren en tientallen gewonden tussen het speelgoed vandaan.

En nu is Hajjo gestopt, waarschijnlijk is hij verjaagd door rebellen

Het is enkele maanden later als Hajjo stilletjes op een terras in Istanbul verschijnt. Met zijn leren jasje en roodgeblokte overhemd oogt hij kleiner en kwetsbaarder dan op zijn post in Aleppo in zijn overall met helm. Als er een vliegtuig langs de herfsthemel scheert, schiet zijn lichaam in de paraatstand. Een seconde maar, dan lacht hij verontschuldigend. Het is even wennen dat vliegtuigen geen bommen werpen.

Hij wil niet veel kwijt over de reden van zijn vertrek uit Aleppo. Maar via andere bronnen zoemt al rond dat een van de rebellengroepen hem verjoeg omdat hij de corruptie en het wanbeleid van hun leider aankaartte. Het spectaculaire werk van Hajjo’s team had buitenlandse steun opgeleverd en dat trok andere types aan dan de vrijwilligers die voor een kleine vergoeding hun leven wagen. Hij haalt zijn schouders op. „Er zijn altijd mensen die veel geld weten te verdienen aan een oorlog.”

In de diepte, omgeven door een mozaïek van daken en koepels, glanst de Bosporus. Hij kijkt er naar en zegt: „Ik zie dat het mooi is, maar het doet me niets. Ik voel me een volslagen vreemde.”

De oproep tot gebed zweeft door de wijk. Als het geluid versterft, zegt Hajjo: „Ik wil maar één ding. Terug naar Aleppo.” Hij loopt de trap van het restaurant af en verdwijnt in de drukte van de straat, even onopvallend als hij is gekomen.