Het gebeurt, journalisten die een stuk verzínnen

Een redacteur van Trouw moest gisteren weg nadat er ‘ernstige twijfel’ was gerezen over bronnen. In het verleden is dit al vaker gebeurd. Bijvoorbeeld bij The New York Times.

Een shot uit Shattered Glass, de film over journalist Stephen Glass die in meer dan de helft van zijn verhalen elementen verzonnen bleek te hebben.

Ook Watergate-onthuller Bob Woodward is er ooit ingetuind. Een verslaggeefster van The Washington Post won in 1981, toen Woodward adjunct-hoofdredacteur en chef van de onderzoeksredactie was, een Pulitzer prijs voor een reportage die ze uit haar duim gezogen had.

Het ontslag van een Trouw-journalist die mogelijk bedrog heeft gepleegd, is uitzonderlijk voor Nederland. Over de zaak is nog weinig bekend, behalve dat de betrokken journalist volgens de krant mogelijk bronnen heeft verzonnen.

Dat roept associaties op met een aantal opzienbarende Amerikaanse bedrogzaken.

The New York Times belandde in 2003 in zwaar weer, toen bleek dat verslaggever Jayson Blair op grote schaal citaten en bronnen voor zijn artikelen had verzonnen. Hij deed alsof hij ergens ter plaatse was, terwijl hij voor de televisie zat of mensen aan de telefoon sprak; hij stal citaten van collega’s en fingeerde zaken. Zijn excuus: de werkdruk op de redactie en persoonlijke sores als cocaïnegebruik.

De krant vlooide alle stukken na die Blair had geschreven en publiceerde een uitgebreid verslag van het interne onderzoek. De zaak diende als inspiratie voor een seizoen van tv-serie The Wire, waarin een ambitieuze journalist onder druk van bezuinigingen en competitie bedrog pleegt. Blair zelf schreef na zijn ontslag een boek, en gaf cursussen in verslavingsproblematiek.

Een briljante 15-jarige hacker

Enkele jaren eerder was het tijdschrift The New Republic het middelpunt van een schandaal. Adjunct Stephen Glass liep in 1998 tegen de lamp met een verhaal over een briljante 15-jarige hacker die in dienst was genomen door het bedrijf dat hij had gehackt. Bedrijf noch hacker bleek te bestaan. Onderzoek wees uit dat Glass in de helft van zijn artikelen citaten, situaties of bronnen had verzonnen. Zijn aantekeningen vervalste hij ook.

Het schandaal werd verfilmd, Glass zelf schreef een biografische roman. Onlangs zei hij in een gesprek met The New Republic dat het hem speet. Wat hem had gedreven? De behoefte aan roem en erkenning. Hij ging rechten studeren, maar probeerde tevergeefs aan het werk te komen als advocaat.

Even geruchtmakend, en lang vóór de bezuinigingsrondes bij die krant, was het bedrog van Janet Cooke bij The Washington Post. Cooke, een jonge verslaggeefster die nog maar kort in dienst was, sleepte in 1981 een Pulitzer Prijs in de wacht met een hartverscheurende reportage over een 8-jarige heroïnejunk, ‘Jimmy’. Ze had de jongen, kind van een verslaafde moeder, opgespoord in een achterbuurt van Washington en beschreef hoe hij zich door een volwassene liet inspuiten: „De injectienaald verdwijnt in de zachte huid van de jongen als een rietje in een versgebakken taart.”

Het stuk veroorzaakte grote beroering in Washington. Maar het geschokte stadsbestuur dat de jongen wilde redden, kon hem niet vinden. Cooke weigerde haar bronnen te onthullen. Toen de verslaggeefster vervolgens bleek te hebben gelogen in haar curriculum vitae voor het Pulitzer comité, sloeg de argwaan toe. Ze bekende, na een kruisverhoor op de redactie: er was geen Jimmy, ze had alles verzonnen om te scoren. Cooke kreeg ontslag, de prijs ging retour. Cooke’s stuk was voor de Pulitzer prijs ingediend door toenmalig adjunct-hoofdredacteur (en ook Watergate-onthuller) Bob Woodward.

Les voor de krant: vertrouwen is goed, maar controle is soms beter. In de berichtgeving over het Watergate-schandaal, dat in 1974 de Amerikaanse president Richard Nixon ten val bracht, had de krant geleerd pal achter zijn verslaggevers te blijven staan, tegen alle ontkenningen en kritiek in. Maar deze keer pakte dat precies verkeerd uit. Er leefden onder collega’s twijfels over Cooke’s werk, maar niemand durfde het aan te kaarten.

Woodward, die niet lang na de affaire terugtrad als adjunct-hoofdredacteur, trok er nog een andere les uit: hij had ten onrechte het verhaal vóór de moraal laten gaan. Als hij zich meer zorgen had gemaakt om het kind, zei hij later, was de krant er eerder achtergekomen dat het verhaal niet klopte.