Gen voor lang leven is onvindbaar

Het DNA van 110-plussers kan niet verklaren waarom deze mensen zo’n extreem hoge leeftijd hebben bereikt.

Het doorspitten van het complete DNA van zeventien 110-plussers heeft geen enkele aanwijzing opgeleverd voor het bestaan van een gen voor heel oud worden. Hun genen bleken niet bijzonder in vergelijking met een controlegroep. Dat schreven Amerikaanse onderzoekers gisteren in PLOS ONE.

Op basis van tweelingstudies is eerder gebleken dat erfelijkheid voor 20 tot 30 procent bepaald of iemand een hoge leeftijd zal halen. In families van 110-plussers is de erfelijkheidsfactor waarschijnlijk nog hoger. Dat heeft genetici geïnspireerd in het DNA te speuren naar het geheim van ouder dan oud worden, maar het Methusalem-gen blijft helaas onvindbaar.

„Ik begrijp wel waarom hier niets uit is gekomen”, reageert de Utrechtse hoogleraar Genetica en Epidemiologie Paul de Bakker aan de telefoon. „Het DNA van zeventien mensen analyseren is veel te weinig om ook maar één gen te vinden. ”

Onderzoeker Henne Holstege van het Alzheimercentrum aan het VUmc in Amsterdam sluit zich daarbij aan. „Er is niet één enkel gen dat bepaald of iemand heel lang kan leven. Daarbij zijn misschien wel duizend verschillende genen bij betrokken, die ieder een heel kleine invloed hebben, en elkaar kunnen remmen en versterken. Het gaat om de genetische constellatie, die gunstig uitpakt. Maar die kun je nooit identificeren in zo’n kleine groep.”

Het probleem is dat er maar zo weinig superouderen zijn. De Amerikaanse genetici telden in de voorbereiding van hun onderzoek wereldwijd 74 nog levende 110-plussers, waarvan 22 in de VS. Van 17 hebben zij dus het DNA mogen analyseren. Maar om de kans te vergroten ‘iets’ in het genoom aan te treffen, zagen zij zich genoodzaakt hun onderzoek tot 13 te beperken, het DNA van blanke vrouwen.

„Ik geloof niet zo in deze aanpak”, zegt Paul de Bakker nog eens, „Als je een genetisch effect bij oud worden wilt vinden, zou ik de grens leggen bij 100 of zelfs 90 jaar. Dan heb je een voldoende grote onderzoeksgroep.”

Holstege wijst erop dat ook de controlegroep van duizenden mensen niet geschikt is als vergelijkingsmateriaal: „We hebben nog geen idee of deze mensen ooit ook de 110 zullen halen.”

Overigens troffen de Amerikanen tot hun verrassing bij één van hun 110-plussers een genvariant aan die eerder in verband is gebracht met hartritmestoornissen. Kennelijk vormde dat geen belemmering om toch heel oud te worden. Dat betekent volgens Holstege „dat we nog maar aan het begin staan van begrijpen hoe genetica onze gezondheid beïnvloedt.”