En zo werd El Negro en ik metafoor voor zwarte piet

Literaire non-fictie krijgt een waaier van betekenissen als de lezer die ook op dezelfde manier leest als een roman, schrijft Frank Westerman.

In 1981 draait generaal Jaruzelski de vakbond Solidarnosc de nek om. De Poolse schrijver-journalist Ryszard Kapuscinski (1932-2007) werkt dan als correspondent in Teheran. Hij slaat op fabelachtige wijze terug. Hoe? Door De Sjah aller Sjahs te publiceren, een boeklange reportage van binnenuit over de tirannieke stuiptrekkingen van de sjah van Perzië.

‘Al veracht de dictatuur het volk, zij blijft haken naar zijn erkenning. Ondanks haar onwettigheid, of juist omwille van haar onwettigheid, houdt zij de schijn van legaliteit op. Op dit punt is zij buitengewoon lichtgeraakt, op een morbide manier overgevoelig. De wereld van de dictatuur is een wereld vol schijn.’

Geen Poolse lezer die het ontging: dit gaat niet over Iran, maar over thuis. De noodtoestand! Door het verbeten gelaat van de sjah heen schemert op elke bladzijde de vlekkerige tronie van generaal Jaruzelski. De Sjah aller Sjahs is niet alleen een reportage, het is ook een allegorie.

‘Alles is een metafoor’, zei Kapuscinski er later over. Hij moest deze omweg wel bewandelen: recht-voor-zijn-raap kritiek had hem het leven in Polen onmogelijk gemaakt.

Dit laat onverlet dat De Sjah aller Sjahs ook over Mohammed Reza gaat, de Iraanse revolutie, de opkomst van de ayatollahs. Er is niets mis mee om het alleen zo te lezen.

Toch valt me al jaren een merkwaardig verschijnsel op: veel lezers trekken onbewust hun literaire voelsprieten in zodra ze een non-fictieboek ter hand nemen. Mij lijkt dit een prima houding om een rechttoe-rechtaan geschiedenisboek of biografie tot je te nemen. Maar ook de werken die de Polen tot de literatura faktów rekenen, ‘literatuur van de feiten’, worden vaak door zo’n enkel-focusbril gelezen: zonder enige verwachting van gelaagdheid, verwijzingen naar andere werken, beeldrijm, symboliek.

Dit gebrek aan alertheid bij het lezen van ‘literaire non-fictie’ is vreemd en jammer. Vreemd omdat de lezer van een roman juist gespitst is op het detecteren van symboliek en verwijzingen. Je leert het al op school. Animal Farm gaat niet over varkens. Bij Nederlands moesten we zoveel mogelijk overeenkomsten met de Sovjet- Unie opschrijven.

Meer nog ben ik grootgebracht met de gelijkenissen van Jezus uit het Nieuwe Testament. Die van het mosterdzaadje (zo ontzettend klein en toch groeit ‘ie uit tot een enorme plant). Die van de lamp onder de korenmaat (als je hem daar neerzet, zie je nog niets). Die van de barmhartige Samaritaan (over vooroordelen en naastenliefde, beslist niet over het volk der Samaritanen).

Nu voel ik mij als schrijver schatplichtig aan de Bijbel. Deze maand tien jaar geleden kwam El Negro en ik uit. In dit boek beschrijf ik het lot van een opgezette zwarte man, een Afrikaan, die tot 1997 tentoongesteld heeft gestaan in een Spaans museum – temidden van de wilde dieren. Vaak moest ik uitleggen dat het me niet te doen is om het detective-achtige uitpluizen van deze particuliere geschiedenis. Dat de werkelijk bestaande ‘El Negro’ mijn metafoor is, dat hij in mijn boek de vreemdeling of ‘de ander’ belichaamt. En ja, dat je voor de ‘ik’ in de titel ook ‘jij’ mag lezen.

Tot mijn vreugde verscheen op de site de Waterkant in Suriname kort geleden een essay waarin Zwarte Piet werd voorgesteld als de ‘El Negro van Nederland’. Ik vind dat fantastisch; het stemt mij als schrijver ook weer tot nadenken.

En toch: zo’n overdrachtelijke lezing van een waargebeurde geschiedenis is een zeldzaamheid.

Is dit erg? Nee, niet erg. Het is jammer. Er valt zoveel meer te halen uit boeken die het label ‘literaire non-fictie’ dragen. Dit genre neemt al jaren een hoge vlucht. Kennelijk, in tijden dat de maatschappelijke deining hoog gaat, richten we onze blik graag op de vaste wal.

Maar al neemt de waardering voor de ‘literatuur van de feiten’ toe, veel lezers gaan er voetstoots van uit dat ‘waargebeurd’ gelijk staat aan ‘what you see is what you get’. Dat De vergelding van Jan Brokken de geschiedenis van Rhoon vertelt, en niet ook de documentaire tegenhanger is van Harry Mulisch’ De aanslag.

„Is het niet verzonnen, dan gaat het dus om de inhoud” is een reflex die ook onder beroepslezers voorkomt. Stijl, compositie, vorm, suggestie – het komt op de tweede rang. Toch zit de blijvende waarde van Geert Maks reportage Het eiland, over de alternatieve scene op het NDSM-eiland in 1990, vooral in de toon en de opzet: die zijn ontleend aan het sprookje.

Scholieren die Lelystad van Joris van Casteren op hun lijst willen zetten, een boek dat bij vlagen de allure van De Avonden heeft, krijgen nog vaak te horen dat dat niet mag, omdat het geen roman is. Iets soortgelijks geldt voor literaire leesclubs, al wagen die zich de laatste tijd voorzichtig voorbij de grenzen van de fictie.

Naast schrijvers die hun personages en hun plot boetseren uit klei, zijn er ook die ze uit de rots hakken (vrij naar Michelangelo: ‘Het beeld is er al, ik moet het alleen nog bevrijden uit het marmer.’) Het is een werkwijze met een waaier aan mogelijkheden. Door haarscherp de uitzondering uit de werkelijkheid te knippen, houd je het silhouet van de regel over.

‘Het is mijn ambitie om het universele te vinden’, zei Ryszard Kapuscinski over De Sjah aller Sjahs.

Wie leest met een literaire antenne, zoals de lezer bij romans gewend is, zal ook binnen de ‘literaire non-fictie’ een rijkdom aan diepere lagen en gelijkenissen ontwaren. Voorbij de einder van het verzonnen verhaal valt een wereld te ontdekken. Het is tijd voor een tweede emancipatiegolf voor de literatuur van de feiten.