De schilderkunstmoordenaar...

Vrijwel alle schilderijen van Marcel Duchamp zijn nu te zien in Centre Pompidou in Parijs in een grote expositie die zijn raadselachtige verhouding tot schilderen toont. Inclusief een kopie van zijn magistrale ‘Het Grote Glas’

Marcel Duchamp signeert in 1950 een schilderij dat hij in 1911 maakte.

Berichten over de dood van de schilderkunst zijn overdreven. Maar over de dader is iedereen het eens: Marcel Duchamp. Aan hem wijdt het Centre Pompidou in Parijs een grote tentoonstelling en dit keer gaat het niet om zijn dadaïstische grappen en conceptuele hoogstandjes, maar om de schilder die Duchamp was tot hij die tak van kunst doodverklaarde in 1911. De aanleiding was dat de Parijse Salon des Independents zijn revolutionaire traplopende naakt had afgewezen – nota bene de kubistische avant-garde die hij als zijn vrienden beschouwde.

Dat de schilderkunst na hem regelmatig opnieuw en even voorbarig dood is verklaard, is vooral grappig. Steeds zijn er mensen die er nieuw leven in weten te blazen. Picasso bleef voor en na 1911 geniaal schilderen. Matisse, Mondriaan, Rothko, De Kooning, Bacon, Freud, Richter, Rauch, Doig – de lijst groeit ieder jaar.

Dat wist Duchamp – voor zichzelf en vrienden bleef hij soms schilderijen maken – en dat weet conservator Cécile Debray van Pompidou. Haar tentoonstelling laat keurig zien hoe Marcel Duchamp (1887-1968) via diverse invloeden in en buiten de schilderkunst komt tot zijn grote meesterwerk Le Grand Verre, zoals deze collage meestal genoemd wordt (zie de pagina hiernaast). De officiële titel is La Mariée mise à nu par ses célibataires, même (‘De bruid ontkleed door haar vrijers, zelfs’).

De expositie Marcel Duchamp – La peinture, même maakt al snel duidelijk dat aan Duchamp zelf geen groot schilder verloren ging. Op zijn kubistische schilderijen na is veel middelmatig of afgeleid. Zijn verzamelde schilderwerk bij elkaar zien is voor de kenner de kracht van deze tentoonstelling en voor alle andere bezoekers een probleem. Op zich zijn de werken vaak niet boeiend. De aanwezige topstukken van schilders als Odilon Redon, Lucas Cranach en Picabia kunnen de matheid niet wegnemen.

Na meer dan een uur kijken hoe Duchamp tot zijn meesterwerk kwam, is in de laatste zaal dat Grote Glas een tegenvaller. Niet alleen omdat de verwachtingen zaal na zaal tot onrealistische hoogte gestegen zijn. Ook omdat Het Glas een cryptisch kunstwerk is dat weigert op te treden als spektakelstuk. Het valt hier dood. Terwijl een ontmoeting met het werk de impact kan hebben van een Mona Lisa, Nachtwacht of Aardappeleters.

Barmeisjes en naaistertjes

Wat zich in Pompidou ook wreekt, is dat je na zo veel inleiding het echte ding wil zien, en niet deze geautoriseerde kopie in zijn bruinhouten statief en een gepoetste bronzen lijst. Wat deze expositie had kunnen redden was een verplaatsmachine naar het Philadelphia Museum of Art waar het echte Grote Glas staat. Dan had je gevoeld dat Duchamp dit met zijn handen heeft gemaakt en dat hij er acht jaar aan heeft zit schaven en nog langer over heeft nagedacht.

La Mariée mise à nu par ses célibataires, même is zelf stof voor een expositie en geen kers op de taart. Als slot was een film over Het Glas beter geweest en daarna hadden de bezoekers desnoods nog even deze kopie uit Stockholm kunnen bekijken.

Natuurlijk valt er in Pompidou genoeg te zien, zoals meteen in het eerste zaaltje de briljante foto die Man Ray in 1924 maakte van Marcel Duchamp als naakte Adam in een van Lucas Cranach geleende pose naast een al even blote Eva – het achttienjarige in Nederland opgegroeide Pools-Joodse model Bronia Perlmutter.

Voor Duchamp de schilderkunst ‘vaarwel’ zei, schetste hij tussen 1907 en 1910 van die typisch Franse olala-scènes met barmeisjes en naaistertjes. In die tijd werkte hij in een wilde, fauvistische stijl: vrouwen in landschappen, vrouwen op de vloer, op een pianokruk, of in een moeilijke houding in bad. In 1910 is zijn stijl Cézannig, zoals op het doek met twee schakende mannen terwijl hun vrouwen zichzelf intussen theedrinkend proberen te vermaken.

Meteen daarna ontdekte Duchamp het symbolisme. Hij bewonderde Redon, zoals te zien is in het portret dat hij van zijn vader maakte. Daarin krijgt zijn fauvistische felheid een dromerig aspect. Het is kunst die voorbij oog en hersens de ziel wil raken.

In 1911 had Duchamp wel lid van een Duitse expressionistische beweging kunnen zijn, zo blijkt uit zijn Landschap dat op de expositie naast een Kandinsky van drie jaar eerder hangt. Maar drie jaar is lang in een tijd dat de schilderkunst zich in Parijs, München en Berlijn stormachtig ontwikkelde. In de vijfde zaal ontmoeten we Duchamp zoals we hem kennen: de revolutionair die de kunst opnieuw uitvond. De man die zelfs de kubisten weet te schokken met de manier waarop hij de beweging vastlegt van een blote vrouw die een trap afdaalt. Het ziet eruit „als een explosie in een tegelfabriek”, zoals een geschokte kijker destijds zegt. Links en rechts van Nu descendant l’escalier (1912) hangen nog een paar doeken in die stijl. Dan is het zo ver: de schilderkunst heeft voor Duchamp afgedaan. Hij trekt zich terug uit de kunst en neemt een baan als bibliothecaris in Parijs. Bij een reis ontdekt hij in München Lucas Cranach (1472-1553). „Ik heb er de vleeskleur vandaan van mijn naakten en je ziet de invloed in La Mariée”, schrijft hij later. Die zomer in Zuid-Duitsland voelt hij zich bevrijd van de schilderkunst en begint de voorbereiding van Het Grote Glas. „Ik schilder niet voor de retina maar voor de hersenen”, zei Duchamp in 1949. Dat is wat hij in 1912 zeker weet. Hij wil geen schilderkunstenaar zijn, zelfs geen revolutionaire als de kubisten. Hij wil de kijker niet plezieren met mooie vormen, kleuren of voorstellingen.

In 1913 zet Duchamp een fietswiel op een krukje en in 1917 een urinoir op een voetstuk en noemt het kunst. Kunst maakt hij door voorwerpen uit hun omgeving te halen. Kiezen, beschrijven, signeren, dat zijn voortaan de kernbegrippen van zijn kunstenaarschap. Hij exposeert geen nieuwe schilderijen, maar thuis schildert hij vrolijk verder. Zo maakt hij datzelfde jaar een schilderijtje van een koffiemolen als keukenversiering voor zijn oudere broer, beeldhouwer Raymond Duchamp-Villon. In dat bruinig beschilderde stukje karton kondigt zich een centraal element van Het Grote Glas aan, de drie maalstenen voor cacaobonen op een Louis XV-onderstel, volgens Duchamp het lot, het onvermijdelijke, de toekomst.

Kijkdoos met liggend naakt

In een volgende zaal hangen andere studies voor het onderste raam van Het Grote Glas. Zoals een groot doek dat Duchamp met behulp van drie één meter lange koordjes maakte. Hij liet ze van één meter hoogte vallen en fixeerde hun vorm en gebruikte die in Het Grote Glas. Al die doeken op één expositie kunnen bekijken is voor wie zijn werk vooral uit boeken kent een fantastische ervaring.

Alleen het wonderlijke Tu m’ (1918) ontbreekt, zijn echt allerlaatste schilderij. De universiteit van Yale weigerde het uit te lenen. Duchamp maakte het voor boven de boekenkast van verzamelaar Katherine Dreier die ook Het Grote Glas bezat. „Het enige essentiële schilderij van de kunstenaar dat op deze bijzonder volledige expositie ontbreekt”, schrijft de boze directeur van Pompidou Alain Seban in de catalogus. Maar de afwezigheid van het echte Grote Glas is erger, al is het begrijpelijk dat zo’n belangrijk en kwetsbaar werk niet reist. Het maakt een bezoek aan het Philadelphia Museum of Art eigenlijk noodzakelijk. Wie daar naartoe gaat kan meteen door dat beroemde gat in een antieke deur gluren naar zijn onmisbare en complementaire meesterwerk, het kamergrote kijkdoosstilleven Étant donnés: 1. La chute d’eau, 2. Le gaz d’éclairage (‘Gegeven: 1. De Waterval, 2. Het lichtgevende gas’), dat evenmin ooit Philadelphia verlaat. Niemand wist dat Duchamp daar vanaf 1946 tot zijn dood in 1968 aan had gewerkt.

Zonder de installatie Étant donnés, een wassen beeld van een liggende naakte vrouw in een landschap, lijkt Duchamp in Pompidou te veel een koele rationalist die in een glazen raam een afstandelijk kunstwerk creëerde. In Parijs staat wel een miniatuurversie, maar wie in Philadelphia door dat gaatje heeft gekeken, weet dat Duchamp zijn leven lang ook de man is gebleven die genoot van vrouwen in alle houdingen.