Bestuursrechter maakt geen einde aan Zwarte Pietenfarce

De Zwarte Pietenkwestie is (nog) niet beslecht. Althans niet door de Raad van State. Hoewel de Amsterdamse bestuursrechter, in eerste instantie, daar wel een poging toe deed. Namelijk door de vraag te beantwoorden of in de figuur van Zwarte Piet sprake was van een zo omvangrijke negatieve stereotypering dat andere burgers daartegen beschermd moesten worden, op grond van het recht op een ongestoord privéleven. Het antwoord was in oktober nog ja. De burgemeester had deze belangen niet voldoende betrokken bij zijn beslissing. Het antwoord van de Raad van State gisteren is vooral afwerend: ‘Daar hoort de burgemeester buiten te blijven.’

De Raad van State verwijst voor het verlossende woord door naar de civiele rechter of eventueel de strafrechter. Daar is meer ruimte om bepalingen uit het Europese Mensenrechtenverdrag rechtstreeks te laten toetsen.

Dat draait dus uit op een civiel kort geding, aangifte bij de politie tegen Sinterklaas en een dagvaarding wegens onrechtmatig handelen. Het juridiseren gaat vrolijk voort. Mogelijk komt ook de vraag op of Sinterklaas wellicht in voorlopige hechtenis moet. En of er alvast beslag moet worden gelegd op zijn bankrekeningen. Daarmee komen de cadeautjes in gevaar! De Zwarte Pietenfarce kan dus verder.

Gisteren oordeelde de Raad van State dat burgemeesters zich bij evenementenvergunningen strikt moeten beperken tot het afwegen van de veiligheid en de openbare orde. Dat is verstandig. Lokale overheden moeten niet de inhoud van evenementen beoordelen als er een vergunning wordt gevraagd. Burgemeesters mogen van de Raad alleen letten op de bescherming van de gezondheid, het verkeer en mogelijke wanordelijkheden. En aangezien Sinterklaasintochten nog nergens aanleiding waren tot opstootjes, straatruzies, kettingbotsingen of de uitbraak van besmettelijke ziekten, weten alle gemeentes in het land waar ze aan toe zijn.

Ook kunnen lokale overheden Europese verdragen over mensenrechten in de kast laten staan. Dat ligt misschien minder voor de hand. De Raad van State zegt dat die alleen rechtstreeks werken als het evenement waarvoor de vergunning wordt verleend, zélf een bedreiging van die grondrechten vormt. Was het niet een Sinterklaasintocht, maar, pak ’m beet, een optocht van zwart geschminkte nepslaven, dan had de zaak anders gelegen. De „invulling van de intocht” en „derhalve de aanwezigheid van Pieten” betreft echter het „handelen van derden”. Niet van de overheid. Als een burger bezwaar heeft tegen de ‘invulling’ van het evenement, dan moet ie maar aangifte doen of een geding aanspannen. Dat onderscheid is, in ieder geval, knap gevonden. Maar een antwoord is het niet.