Zwarte muziek heeft altijd een verhaal

De afgelopen twee jaar ging de Oscar naar een muziekdocumentaire, een bloeiend genre. Het IDFA maakte een sterke selectie van 16 documentaires die altijd meer hebben te vertellen dan muziek alleen.

Een unieke musicus in The Case of the Three Sided Dream:Rahsaan Roland Kirk kon simultaan meerdere instrumenten bespelen.

De muziekdocumentaire staat er uitstekend voor, als we tenminste mogen afgaan op de Oscar voor beste documentaire. Die ging de afgelopen twee keer naar een muziekfilm: vorig jaar won het onweerstaanbare Twenty Feet from Stardom, over het miskende ambacht van de achtergrondzangeres, het jaar daarvoor viel Searching for Sugar Man in de prijzen, over de ook al zo lang miskende singer-songwriter Rodriguez.

Dit jaar zou ook een muziekdocumentaire wel eens hoge ogen kunnen gooien, getuige de jubelende ontvangst in de VS van Keep on Keepin’ On – een warm portret van de hoogbejaarde jazzlegende Clark Terry en zijn jonge pupil, de blinde pianist Justin Kauflin.

Keep on Keepin’ On is te zien op documentairefestival IDFA, dat een rijke, gevarieerde en ook kleurrijke selectie muziekfilms in huis heeft. Voor goede muziekfilms geldt dat ze over muziek moeten gaan, maar niet alleen maar over muziek. Echt interessant wordt het pas als de muziek ergens voor staat en iets betekent, als muziek onderdeel is van een culturele ontwikkeling of een sociale kwestie. Searching For Sugar Man ging óók over de strijd tegen apartheid in Zuid-Afrika, waar de muziek van Rodriguez symbool stond voor protest tegen de gestagneerde verhoudingen. En Twenty Feet from Stardom scheen licht op de vaak moeizame positie van zwarte vrouwen in de Amerikaanse muziekindustrie, die zwaar oververtegenwoordigd zijn in de beroepsgroep van achtergrondvocalist.

Are your lips wet, motherfucker?

Ook voor de beste muziekfilms die dit jaar door IDFA geselecteerd zijn, geldt dat ze meer te vertellen hebben dan alleen het muzikale verhaal. Opvallend is het hoge aandeel films over zwarte musici. Zwarte verhalen lijken eindelijk meer dan mondjesmaat door te dringen in de filmwereld. Zou dat het effect zijn van het succes van Twelve Years a Slave? Laten we hopen dat de trend beklijft.

IDFA heeft twee films over jazz in het programma, een unicum. Keep on Keepin’ On portretteert trompettist Clark Terry, die in een carrière die vele decennia omspant, speelde met talloze groten: hij was lid van de band van Duke Ellington en van Count Basie, Terry was de eerste zwarte musicus die een vast contract kreeg bij de huisband van The Tonight Show. Quincy Jones, die de film heeft geproduceerd en er ook een belangrijke rol in speelt, ging als twaalfjarige bij hem in de leer. Een van de vele mooie momenten in de film is het weerzien tussen de oude vrienden, die meteen terugvallen op muzikantenjargon: „,Are your lips wet, motherfucker?”

Terry is beroemd, maar ook weer niet zo beroemd dat iedereen al veel, zo niet alles over hem weet. Belangrijk, want er is zelden een goede film gemaakt over de allergrootste sterren. Daar is vaak domweg al veel te veel over bekend. De beste muziekfilms leggen verhalen bloot die nog niet zo zijn uitgekauwd als dat van, pak weg, Dylan, Bowie of de Beatles. Keep on Keepin’ On focust op de relatie van Terry met een van zijn studenten: Justin Kauflin. Hun band verdiept zich als Terry op hoge leeftijd blind wordt, door de gevolgen van diabetes, en hij troost zoekt bij lotgenoot en ervaringsdeskundige Kauflin. Tijdens de film verliest hij ook beide benen aan de ziekte – een dramatische ontwikkeling die debuterend regisseur Alan Hicks, zelf een oud-leerling van Terry, met gepast distantie in het verhaal verweeft. Hoe Terry en Kauflin tegen de klippen op muziek maken, elkaar opbeuren en aansporen, mag soms wat sentimenteel zijn; een hartverwarmende film levert dat wel op.

Black Classical Music

Uit heel ander hout gesneden was de eveneens blinde jazzmuzikant Rahsaan Roland Kirk, die alleen al opviel omdat hij meerdere instrumenten simultaan kon bespelen: zijn hoofdinstrument was de tenorsaxofoon maar hij bespeelde ook (soms gelijktijdig) de neusfluit, de trompet en de klarinet. Zijn politieke opvattingen waren militant. Liever dan van ‘Planet Earth’ sprak hij van ‘Plantation Earth’, en liever dan van ‘jazz’ sprak hij van ‘Black Classical Music’. Na een beroerte verloor hij de beschikking over een arm, maar hij leerde zichzelf saxofoon spelen met slechts één hand. Al in 1977 overleed Rahsaan aan een tweede beroerte, op 42-jarige leeftijd, maar documentairemaker Adam Kahan was er nog op tijd bij om zijn weduwe en goede vrienden te laten spreken over deze unieke musicus, in zijn aanstekelijke, levendige film: The Case of the Three Sided Dream.

Misschien dat een musical over Rahsaan Roland Kirk zou kunnen helpen om zijn muziek aan de vergetelheid te ontrukken. Een succesvolle Broadwaymusical – geproduceerd door Will Smith en Jay Z – is een van de redenen waarom de Nigeriaanse muzieklegende Fela Kuti postuum meer bekendheid geniet in de VS dan bij zijn leven. De buitengewoon hardwerkende documentairemaker Alex Gibney – recentelijk voltooide hij ook nog documentaires over zanger James Brown, hackeractivist Julian Assange én wielrenner Lance Armstrong – vertelt in zijn film Finding Fela het verhaal van het ontstaan van die musical, maar ook – veel interessanter – het levensverhaal van Fela Kuti zelf: zijn muzikale genie, zijn grote politieke moed én zijn bizarre, extravagante levensstijl. De film laat de kijker met een verbrokkeld beeld achter van de grote man, wat vermoedelijk ook precies de bedoeling is. De ‘Bob Marley van Afrika’ laat zich niet simpel onder één noemer brengen. Afkomstig uit een elitair milieu en christelijk opgevoed, was Fela Kuti aanvankelijk een volstrekt apolitieke jazzmuzikant. Dat veranderde toen hij eind jaren zestig in de VS kennismaakte met de Black Power-beweging en een verhouding kreeg met de activiste Sandra Izsadore, die gelieerd was aan de Black Panthers. Zij ging met hem mee terug naar Nigeria, alwaar ze erachter kwam dat Fela thuis al een vrouw en kinderen had.

Huwelijk met 27 vrouwen

Fela Kuti ontpopte zich meer en meer als een politiek geëngageerd muzikant, die debatavonden organiseerde in zijn nachtclub in Lagos, de Afrika Shrine. Met zijn afrobeat was hij een idool in heel Afrika, al waren zijn uitgesponnen songs van twintig, dertig minuten minder geschikt voor westerse massaconsumptie. Hij leefde met honderden volgelingen in een commune, die hij uitriep tot onafhankelijke staat, los van de Nigeriaanse militaire junta die het land regeerde. In 1977 kwam de harde reactie: de politie deed een inval in de commune met veel geweld, waarbij zijn bejaarde moeder, een bekend vechtster voor vrouwenrechten in Afrika, om het leven kwam.

Daarna raakte Fela Kuti meer en meer in de ban van het bovennatuurlijke en wat hij verstond als de tribale religie van zijn voorvaderen; hij liet zich in 1978 officieel trouwen met 27 van zijn vrouwen, volgens hem geheel in lijn met de traditionele gebruiken. Zijn levensstijl stond niet zo ver af van de gemiddelde decadente rockster in de jaren zeventig, maar zijn betekenis voor Afrikaans zelfbewustzijn blijft onverminderd groot.

De rapdocu Nas. Time is Illmatic overstijgt de nogal obligate aanleiding: dit jaar is het twintig jaar geleden dat het debuutalbum Illmatic van rapper Nas uitkwam, vaak genoemd als het beste hiphopalbum aller tijden. Wat deze film vooral te bieden heeft is een genuanceerd portret van de wereld waaruit dat album, en Nas zelf, voortkwam. De rapper groeide op in de grootste huurkazerne van de Verenigde Staten: Queensbridge in Brooklyn, New York, in de tijd dat de crack-epidemie daar vernietigend huishield; een wereld die hij met toen ongewoon sociaal-realisme beschrijft op zijn debuut. Op de hoes van die plaat staat een foto van de jonge Nas met zijn vrienden van destijds: jongens die inmiddels in overgrote meerderheid dood zijn of in de gevangenis zitten.

Waarom wist Nas wel te ontsnappen? Door zijn ongewone taalgevoel en muzikaliteit, zeker, maar ook omdat hij van huis uit net iets meer meekreeg dan veel anderen. Zijn vader, jazzmuzikant Olu Dara, was vaak weg en verliet zijn gezin uiteindelijk, maar hij drukte zijn zoons ook boeken in handen over zwarte geschiedenis. Hij gaf zijn zegen toen Nas als tiener stopte met school, maar hij bleef wel naar hem en zijn broertje omkijken. Waar andere gezinnen meestal hotdogs aten, kookte de moeder van Nas elke avond. Hij had zo misschien net iets meer kansen dan zijn kompanen, al blijft de weg van Queensbridge naar Harvard, waar Nas tegen het einde van de film een ontvangst krijgt bij de opening van een instituut voor hiphopstudies, een heel lange.

Nas zelf zegt in de film dat hij soms bijna niet kan geloven dat zijn leven zo gelopen is. En hij onderstreept dat die weg niet is begonnen bij hemzelf, maar bij zijn voorvaderen: in de plantagesongs van slaven, de blues, de jazz en Afrikaanse muziek. Met deze films kan de bezoeker van IDFA zelf een deel van die weg afleggen.