Nachtmerries op het demonische doek

Films van de Weimartijd, met hun fascinatie voor tirannen en monsters, voorspelden Hitler en de nazi’s.

Hoe groot is de stap van Dr. Caligari, de tiran die zijn hulpje Cesare hypnotiseert en op pad stuurt om te moorden, naar Hitler, de tiran die het Duitse volk hypnotiseerde en opzweepte met zijn virulente denkbeelden en redevoeringen?

Niet zo groot volgens de Duitse criticus Siegfried Kracauer. Hij schreef er het invloedrijke en nog steeds fascinerende boek From Caligari to Hitler (1947) over, met als veelzeggende ondertitel: „een psychologische geschiedenis van de Duitse film”. Kracauer was ervan overtuigd dat een studie van de Duitse film, in zijn geval gericht op de cinema van de Weimarrepubliek (1918-1933), het collectieve onderbewustzijn van de Duitse natie genadeloos blootlegde. Een land dat al in de jaren twintig gefascineerd was door wat Kracauer „een processie van tirannen” noemde, met naast Caligari nog meestercrimineel Dr. Mabuse, ook al een machtswellustige hypnotiseur, en de dood en verderf zaaiende vampier Nosferatu. Die fascinatie voor tirannen is een voorbode van de komst van Hitler, was de vaste overtuiging van Kracauer.

Kracauers boek is een geweldige bron om de Weimarcinema beter te begrijpen. Dat zag ook Rüdiger Suchsland, regisseur van de documentaire From Caligari to Hitler. Hij gebruikt de denkbeelden van Kracauer, soms zonder ze expliciet te noemen, en bouwde zijn film rond de terugkerende, retorische vraag: „Wat weet de cinema wat wij niet weten?” Ook zijn stelling is dat film de toenmalige Duitse werkelijkheid weerspiegelt en het onbewuste op het scherm tovert, met zijn „landschappen van de ziel”. Suchslands documentaire, vol schitterend beeldmateriaal, toont de ontwikkeling van de Duitse cinema tussen 1918, het optimistische begin van de kersverse Weimarrepubliek, en 1933, toen Hitler de macht greep. Een geschiedenis die loopt van expressionisme tot nieuwe zakelijkheid, van proletarische films over armoede tot de spannende bergfilms met Leni Riefenstahl, de latere regisseuse van Hitlerpropaganda als Triumph des Willens.

Suchsland schetst het politieke experiment van de Weimarrepubliek en de gevolgen van de financiële crises; de hyperinflatie in 1923, massawerkloosheid na de beurskrach van 1929. Het was een permanente dans op de rand van de vulkaan, met aan de ene kant utopisch denken en zucht naar vrijheid, en aan de andere kant toenemende maatschappelijke chaos en decadentie, met Berlijn als het nieuwe Babylon. Een in alle opzichten verwarrende periode, die ook in filmisch opzicht alle kanten opwaait. Er is de zucht naar de goede oude tijd, met films over de Pruisische koning Frederik de Grote, toen Duitsland nog een groot en trots en eenvoudig rijk was. Er is de escapistische avonturenfilm vol exotisme, maar ook de experimenten van Walter Ruttmann (Berlin, die Sinfonie der Grosstadt).

Suchsland behandelt natuurlijk de grote regisseurs, het trio Lang, Murnau en Lubitsch, maar schenkt ook aandacht aan minder bekende makers als Werner Hochbaum en Paul Czinner, wiens Fräulein Else een van de mooiste momenten uit From Caligari to Hitler oplevert.

Het is een filmgeschiedenis om apetrots op te zijn; Volker Schlöndorff zegt dat de stille film Duitsers van zijn generatie „vaders gaf met wie wij ons wel konden identificeren”, zoals de romanticus Murnau en koel analytische Lang. Kracauers collega Lotte Eisner vat de Weimartijd in de film samen als „het demonische doek”: een krachtige samenvatting van 15 jaar Duitse cinema.