Lees hier een nooit eerder vertaald verhaal van Ernest Hemingway

‘Ga nooit terug om je vroegere front te bezoeken’. Hij deed het toch, Ernest Hemingway (1899-1961), en bezocht in 1922 voor een Canadese krant het gebied waar hij in WOI was gestationeerd. Dat stuk kunt u hier lezen. Er is namelijk voor het eerst, 92 jaar na publicatie, een Nederlandse vertaling van verschenen.

Kleinzoons van Ernest Hemingway in september van dit jaar bij een buste van hun beroemde opa op Cuba. EPA/Ernesto Mastrascusa

‘Ga nooit terug om je vroegere front te bezoeken’. Hij deed het toch, Ernest Hemingway (1898-1961), en bezocht in 1922 voor een Canadese krant het gebied waar hij in WOI was gestationeerd. Dat stuk kunt u hier lezen. Er is namelijk voor het eerst, 92 jaar na publicatie, een Nederlandse vertaling van verschenen.

In ‘Een veteraan bezoekt het vroegere front’ beschrijft Hemingway de reis die hij in 1922 maakte naar Schio, het Italiaanse Alpendorp waar hij tijdens de Eerste Wereldoorlog ingekwartierd was en als ambulancechauffeur werkte. Het is de plek waar de latere Nobelprijswinnaar voor de Literatuur (1954) gewond raakte aan zijn benen. Bij terugkomst, een kleine vier jaar na het einde van de Grote Oorlog, schrijft de vroegere twintiger bezwerend over zijn reis:

‘Ga naar het front van een ander, als je per se wilt gaan. [..] de effen groene velden, destijds opengereten door granaattrechters en verscheurd door loopgraven en prikkeldraad, zullen tegen je samenspannen en je doen geloven dat de plekken en gebeurtenissen die zoveel indruk op je hebben gemaakt slechts ijldromen waren of leugens die je jezelf had wijsgemaakt.’

Het verhaal - de vertaling van Roos van de Wardt kunt u hieronder lezen - is nu voor het eerst in Nederlandse vertaling verschenen. Samen met elf andere stukken die Hemingway tussen 1920 en 1922 als journalist schreef voor de Canadese krant Toronto Star.

De verhalen zijn nu gebundeld voor ‘Literaire Meesters’, een tweejaarlijks literatuurfestival waarmee het Utrechtse Literatuurhuis de invloed van wil belichten van grote schrijvers als Hemingway. Twee jaar geleden stond de Portugeze dichter Fernando Pessoa centraal, eind november van dit jaar Hemingway. Hemingway-liefhebber Michael Palin zal een lezing geven op het festival. Palin schreef eind jaren negentig een boek over de Amerikaanse schrijver.

Het Literatuurhuis heeft tot doel bij hun festival onbekend materiaal te bundelen van de schrijver die centraal staat. De bundel van Hemingway was er bijna niet gekomen, legt Literatuurhuis-directeur Michaël Stoker uit:

‘Volgens het International Copyright zijn teksten pas rechtenvrij als een schrijver 70 jaar dood is. Dat is bij Hemingway niet het geval. Contact met de erven bleek lastig. Canadese wetgeving bracht uiteindelijk uitkomst. Daar worden teksten 50 jaar na het overlijden van de auteur vrijgegeven. Dat gaf ons de kans om enkele artikels te bundelen die Hemingway in de jaren twintig als correspondent voor de Toronto Star schreef.

Een veteraan bezoekt het vroegere front, Schio-Fossalta, Italië (juli 1922)

Ga nooit terug om je vroegere front te bezoeken. Als je beelden in je hoofd hebt van iets dat ’s nachts in de modder bij Passchendaele is gebeurd, of van de eerste golf die zich de helling van Vimy op werkt, ga dan niet terug
om te zien of ze kloppen. Dat heeft geen zin. Het front verschilt nu net zoveel van hoe het was als jouw zeer verdienstelijke scheenbeen, waar inmiddels een smal wit litteken op zit, nu verschilt van het been dat je moest zetten en met een tourniquet moest verbinden terwijl het bloed je puttee doorweekte en in je kistje druppelde zodat je, eenmaal overeind gekomen, naar de eerstehulppost kon strompelen, waarbij elke tweede stap een zuigend geluid voortbracht.

Ga naar het front van een ander, als je per se wilt gaan. Daar zal je fantasie uitkomst bieden en lukt het je misschien om een beeld te vormen van de dingen die daar zijn gebeurd. Maar ga niet terug naar je eigen front, want de complete verandering en de opperste, dodelijke, eenzame eentonigheid van de effen groene velden, destijds opengereten door granaattrechters en verscheurd door loopgraven en prikkeldraad, zullen tegen je samenspannen en je doen geloven dat de plekken en gebeurtenissen die zoveel indruk op je hebben gemaakt slechts ijldromen waren of leugens die je jezelf had wijsgemaakt. Het is alsof je het verlaten halfduister van een theater betreedt waar werksters de boel aan het schrobben zijn. Ik weet waar ik over praat, want ik ben net teruggeweest naar mijn eigen front.

Het is niet alleen dat het karakter en sentiment van slagvelden zijn veranderd, teruggekeerd naar een groene zelfingenomenheid nu de granaattrechters zijn opgevuld, de loopgraven dichtgegooid, de bunkertjes opgeblazen
en het prikkeldraad helemaal opgerold ergens op een grote hoop ligt te rotten. Dat was te verwachten, en het was onvermijdelijk dat het sentiment van de slagvelden zou veranderen wanneer de doden die de plek heilig en echt maakten, werden opgegraven en herbegraven op grote ordelijke begraafplaatsen, kilometers verwijderd van waar ze stierven. In stadjes waar je ingekwartierd was, stadjes zonder oorlogslittekens, komen de veranderingen het hardst aan. Want er zijn zoveel stadjes waar je van houdt, aangezien, laten we eerlijk zijn, enkel stafofficiers van een slagveld zouden kunnen houden.

Er zullen best stadjes achter het vroegere Canadese front liggen, met vreemde Vlaamse namen en smalle klinkerstraatjes, die hun magie hebben weten te behouden. Die zullen er best zijn. Maar ik ben net in Schio geweest. Schio was het mooiste stadje dat ik me van de oorlog kan herinneren, maar ik zou het nu nooit herkend hebben – en ik zou er heel wat voor over hebben om niet te zijn geweest.

Schio was een van de mooiste plekjes op aarde. Het stadje lag in Trentino, tegen de Alpen aan, en kwam met alle goedgeluimdheid, vermaak en ontspanning die een man zich kan wensen. Iedereen was tevreden toen we daar ingekwartierd zaten en we hadden het er altijd over hoe heerlijk het zou zijn om na de oorlog terug te keren naar Schio om er te gaan wonen. Er was een eersteklas hotel, genaamd Due Spadi, met voortreffelijk eten, dat ik me nog heel goed kan herinneren, en ook dat we de fabriek waar we gestationeerd waren de ‘Schio Country Club’ hadden gedoopt.

Toen ik er laatst was leek Schio gekrompen. Ik liep aan een kant van de lange smalle hoofdstraat en keek in de etalages naar de overhemden bedekt met vliegenpoep, de goedkope porseleinen schaaltjes, de ansichtkaarten met een stuk of zeven verschillende afbeeldingen van een jongeman en een jongedame die elkaar in de ogen staren, de taaie pasteitjes bedekt met vliegenpoep, de grote ronde zuurdesembroden. Aan het eind van de straat lagen de bergen, maar ik had de week ervoor over de Sint-Bernhardpas gewandeld en zonder sneeuwtoppen hadden de bergen er saai uitgezien, gerimpeld door de regen; weinig meer dan heuvels. Toch heb ik lang naar de bergen staan kijken, en ben toen langs de andere kant van de straat teruggelopen naar het voornaamste café. Het begon zacht te regenen en de winkeliers lieten de rolluiken voor hun ramen zakken.

‘Het ziet er hier anders uit dan in de oorlog,’ zei ik tegen het meisje – ze had rode wangen, zwarte haren en een ontevreden blik – dat op een kruk achter de zinken bar zat te breien.

‘Ja,’ zei ze zonder een steek over te slaan.

‘Ik was hier in de oorlog gestationeerd,’ probeerde ik.

‘Met jou vele anderen,’ zei ze verbitterd fluisterend.

‘Grazie, Signor,’ zei ze met gedesinteresseerde, brutale beleefdheid toen ik het drankje afrekende en naar buiten liep.

Dat was Schio. Maar er was meer: de Due Spadi was gekrompen tot een klein hotelletje, de fabriek waar we ingekwartierd zaten bromde, de vroegere ingang was dichtgemetseld en een stroom zwart slik vervuilde het riviertje waar we altijd gingen zwemmen. Er zat geen 24 greintje pit meer in. Ik sliep slecht en ging de volgende ochtend al vroeg in de regen op pad.

Er was een tuin in Schio waarvan de muur bedekt was met blauweregen en waar we op warme avonden altijd bier dronken terwijl een onheilspellende maan schaduwen door de takken van de plataan wierp die zich boven de tafel uitspreidde. Na mijn middagwandeling wist ik wel beter dan op zoek te gaan naar die tuin. Misschien was er wel nooit een tuin geweest.

Misschien had er rondom Schio wel nooit een oorlog gewoed. Ik herinner me dat ik in het hotel in het krakende
bed lag en probeerde te lezen bij een elektrische lamp die hoog in het midden van het plafond hing en dat ik het licht uitdeed en uit het raam omlaag keek naar de weg waar de booglamp een gedimd licht door de regen verspreidde. Dezelfde weg als waarover de bataljons in 1916 door het witte stof hadden gemarcheerd. Dit waren de Brigata Ancona, de Brigata Como, de Brigata Tuscana en nog tien andere die van het Carso-plateau hierheen waren gestuurd om de Oostenrijkste aanval tegen te houden die door de muur van het Trentinogebergte begon te breken en zich over de valleien verspreidde die naar de Venetiaanse en Lombardische vlakten leidden. Toentertijd waren het goede manschappen en ze marcheerden door het stof van de vroege zomer, hielden de aanval langs de Galio-Asiago-Canoev-linie tegen, en stierven in de berggeulen, in de dennenbossen op de hellingen van de Trentino, zoekend naar dekking op de verlaten rotsen, uitgestrekt in de traag smeltende zomersneeuw van de Pasubio.

Het was diezelfde weg waarover sommige van diezelfde brigades in 1918 door het junistof marcheerden omdat ze halsoverkop naar de Piave moesten om nog een aanval terug te dringen. Hun beste mannen waren gestorven op de Carso-rotsen, in de gevechten rond Goritzia, op Monte San Gabriele, op Monte Grappa en op alle plekken waar mannen zijn omgekomen, maar waarvan niemand ooit heeft gehoord. In 1918 marcheerden ze niet met dezelfde bezieling als in 1916 en waren sommige soldaten zo uitgeput dat je, als het bataljon al niet meer was dan een stofwolk in de verte, een paar van die jongens langs de kant van de weg zag strompelen om hun zere voeten te ontzien, zwetend onder hun bepakking en geweren en de dodelijke Italiaanse zon in een lange, verschrikkelijke, eindeloze wankeling achter het
bataljon aan.

Dus we gingen naar Mestre, een van de grote spoorweghoofden voor de Piave, reisden eersteklas in een wagon met een rijk assortiment aan onwelriekende Italiaanse woekeraars die op weg waren naar Venetië voor een vakantie. In Mestre huurden we een auto om naar de Piave te rijden en maakten het ons gemakkelijk op de achterbank en bestudeerden de kaart en het landschap langs de weg door de gifgroene Adriatische moerassen die de kustlijn in de buurt van Venetië domineren.

Vlak bij Porto Grande, waar de lagere Piave-delta ligt waar Oostenrijkers en Italianen aanvallen en tegenaanvallen uitvoerden terwijl ze tot hun middel in het water stonden, stopte onze auto op een verlaten deel van de weg die als een dijk door de groene moerasachtige woestenij sneed. Er moest lang en met veel olie aan de versnelling worden gesleuteld en terwijl de bestuurder bezig was, en een metaalsplinter in zijn vinger kreeg die mijn vrouw [Hadley] er met een naald uit onze rugzak uit pulkte, blakerden wij in de zon. Toen verjoeg een windvlaag de mist die over de Adriatische zee hing en zagen we in de verte, aan de overkant van het moeras en de zee, Venetië liggen, grijs en geel oprijzend als een sprookjesstad.

Eindelijk smeerde de chauffeur het laatste restje olie van zijn handen in zijn bijzonder weelderige haardos, de versnelling schakelde toen hij de koppeling intrapte en we vervolgden onze weg door de moerassige vlakte. Ik
herinnerde me Fossalta, onze bestemming, als een platgebombardeerd stadje waar zelfs de ratten niet konden overleven. Het had een jaar lang binnen de reikwijdte van de loopgraafmortieren van de Oostenrijkse linies gelegen, en op rustige momenten had de Oostenrijker alles binnen dit bereik opgeblazen dat eruitzag alsof het ook opgeblazen zou moeten worden. In perioden van actieve strijd was het een van de eerste plekken waar de Oostenrijker vaste voet kreeg aan de Venetiëkant van de Piave, en een van de laatste plekken waar hij werd verdreven en opgejaagd, en vele mannen zijn in de met puin en brokstukken bezaaide straten gestorven of tijdens de huisbezoekjes met flammenwerfers uit haar kelders gerookt.

We lieten de auto in Fossalta stoppen en stapten uit om te wandelen. Alle verbrijzelde, tragische waardigheid van het verwoeste stadje was verdwenen. Daarvoor in de plaats stond een nieuwe verzameling zelfvoldane, afzichtelijke, gepleisterde huizen, in felblauw, rood en geel. Ik had Fossalta misschien al vijftig keer bezocht en zou haar nooit hebben herkend. De nieuwe gepleisterde kerk was het grootste gedrocht. De bomen die versplinterd en opengereten waren geweest, zagen er geknot uit en toonden hun littekens enkel als je ernaar zocht, maar als je er gewoon voorbijliep, had je niet kunnen zeggen, tenzij je het wist, hoezeer ze uit elkaar waren gerukt. Alles was uitbundig groen en zag er zo gezond uit.

Ik klom de grazige helling op en over de verzonken weg naar waar de loopgraven waren geweest die de Piave in de gaten moesten houden en keek over een egale helling uit naar de blauwe rivier. De Piave is net zo blauw als de Donau bruin is. Aan de overkant van de rivier stonden twee nieuwe huizen op de plek van die twee hopen puin, net binnen Oostenrijkse bereik.

Ik zocht naar sporen van de vroegere loopgraven om aan mijn vrouw te laten zien, maar er was enkel een gladde groene helling. In een dichtbegroeide stekelige heg vonden we een oud roestig stukje granaatscherf. Aan de gladde gietijzeren vorm van de scherf kon ik zien dat het een stukje gasgranaat was. Meer was er niet van het front over.

Toen we terugliepen naar de auto hadden we het erover hoe fijn het was dat Fossalta nu al helemaal was opgebouwd en dat het voor alle gezinnen zo prettig moest zijn om hun huis terug te hebben. We zeiden dat we zo trots waren op de manier waarop de Italianen hun mond hadden gehouden en hun verwoeste gebieden weer hadden opgebouwd, terwijl sommige andere landen hun vernielde steden als bezienswaardigheid en wederopbouwverzoek gebruikten. We zeiden al die dingen die we dachten als de fatsoenlijk denkende mensen die we waren – en toen zwegen we. Er viel niets meer te zeggen. Het was intens triest.

Want een opnieuw opgetrokken stad is veel triester dan een verwoeste stad. De mensen hebben hun huis niet terug. Ze hebben een nieuw huis. Het huis waar ze als kind in hebben gespeeld, de kamer waar ze met de lamp op een laag pitje de liefde bedreven, de haard waar ze omheen zaten, de kerk waarin ze getrouwd zijn, de kamer waar hun kindje overleed, al deze kamers bestaan niet meer. Een stadje dat in de oorlog volledig te gronde was gericht had een bepaalde waardigheid, alsof het ergens voor was gestorven. Het was ergens voor gestorven en er stond iets beters te gebeuren. Het maakte allemaal deel uit van de grote opoffering. Nu rest enkel de nieuwe, lelijke nutteloosheid ervan. Alles is net zoals het was – alleen ietsje erger.

Dus we liepen de weg af waar ik mijn goede vriend had zien sterven, voorbij de lelijke huizen richting de auto, die de eigenaar zonder de oorlog zich nooit had kunnen veroorloven, en het leek allemaal even slecht. Ik had geprobeerd iets te herscheppen voor mijn vrouw en jammerlijk gefaald. Het verleden was zo dood als een kapotte grammofoonplaat. Het najagen van gisteren leidt enkel tot een koude kermis – en als je daar bewijs voor nodig hebt, ga dan maar terug naar je vroegere front.

Vertaling: Roos van de Wardt

Op 2 december staat onder andere schrijver Jan van Mersbergen in Utrecht stil bij Hemingways WOI-roman Afscheid van de wapenen.