Het levenswerk van een kruimelvervalser

Mark Landis smeerde 60 musea zijn zelfgemaakte vervalsingen aan: hij verkocht ze niet, maar schonk ze. Waarmee een nieuw soort vervalser lijkt op te staan: de kruimelvervalser.

De Amerikaan Mark Landis lijkt uit een horrorfilm weggelopen. Hij spreekt te hoog en te zacht, te toonloos om gewoon te zijn. Talloze films, te beginnen met Psycho, hebben ons geconditioneerd om zoiets creepy te vinden. Raar is gevaarlijk. Raar is crimineel. Raar is strafbaar.

Maar Landis heeft niets met horror te maken. Landis is een kunstvervalser. Hij vervalste schilderijen van Paul Signac en Pablo Picasso en wist ze bijna zestig Amerikaanse musea binnen te krijgen. Het duurde dertig jaar voor Landis werd ontdekt. En misschien gaat hij nog wel door met vervalsen. In de documentaire Art and Craft zien we Landis in ieder geval een door hem vervalste pagina uit een middeleeuws getijdenboek aan een museum aanbieden. Of zou dat tafereel in scène zijn gezet? In een film over vervalsingen moet je extra oppassen, leerde Orson Welles al in F for Fake, zijn meesterwerk uit 1973 dat aan de oppervlakte over kunstvervalsing gaat maar daaronder over het illusoire aspect van alle kunst.

Kunstvervalsers, daar zijn er wel meer van; van Han van Meegeren, die museum Boijmans een ‘Vermeer’ wist te verkopen, tot moderne meesters als Pei Shen Qian die schilderijen maakte in de stijl van Pollock en Rothko en zegt niet te weten dat ze als werk van deze schilders verkocht werden. Je zou de vervalsers bijna ook in periodes kunnen indelen, van klassiekers als Van Meegeren tot postmoderne kunstenaars als Sherie Levine, die het naschilderen van doeken van Monet of Malevitsj ‘Appropriation Art’ noemt en er onder eigen naam het museum mee haalt.

Het bijzondere van Landis is, dat hij voor zijn vervalsingen niet betaald wilde worden. Hij verkocht ze niet aan musea, hij schonk ze. Daardoor was hij niet strafbaar. Zijn praktijk is niet crimineel. Hooguit curieus. Landis, die als jongere werd gediagnosticeerd als schizofreen, vermomde zich vaak als dominee wiens zuster was overleden. Het was dan haar laatste wens geweest het museum van Lafayette of Grandville een werk te schenken. Het duurde jaren voor een medewerker van een museum in Oklahoma City argwaan kreeg en de fraude aan het licht bracht.

Landis’ vervalsingen zijn niet van hoog niveau. De lijsten koopt hij de Walmart en de Hobby Lobby; hij veroudert ze door er koffie overheen te gooien. De werken zelf zijn meestal fotokopieën van reproducties waar hij overheen schildert.

Dat het zo lang duurde voor hij ontdekt werd, komt waarschijnlijk ook door het feit dat Landis zijn slachtoffers in de provincie zocht en vaak niet werk van de grootste namen vervalste maar juist van iets minder bekende schilders als de impressionist Marie Laurencin of de fauvist Louis Valtat. De musea hapten misschien ook zo gretig toe omdat ze hoopten dat de excentrieke dominee behalve schilderijen ook geld zou gaan schenken. Geld speelt dus ook in dit verhaal een rol.

Aan het eind krijgt Landis een expositie van zijn werk in het universiteitsmuseum van Cincinnati, dat hij eerder werk probeerde te schenken. Een groot deel van het oeuvre van de vervalser is daar bijeen. Spectaculair oogt het niet. Zoals je kruimelduiven hebt, heb je ook kruimelvervalsers.

Waarom deed hij wat hij deed? Hij lijkt het zelf niet te weten. Het lukt de makers niet om Landis een bevredigend antwoord te ontlokken. Hij heeft niet de illusie dat hij een groot kunstenaar is, zegt hij. Te bescheiden. Zo wordt Landis toch nog een elckerlyc. „But I kind of liked to sort of be one.”