Hennis betaalt schade chroom-6 alvast

Minister komt Kamer tegemoet in debat over giftige verf, maar blijft bij oud-officier als onderzoeksleider.

Het onderzoek naar de giftige chroomverf en de (oud-)defensiemedewerkers die er ziek van zijn, duurt nog één tot twee jaar. En nee, dat kan niet sneller. Maar mensen van wie duidelijk is dat hun gezondheidsklachten door blootstelling aan chroom-6 komen, kunnen wel eerder schadevergoeding krijgen.

Die toezegging deed minister Jeanine Hennis-Plasschaert (Defensie, VVD) vannacht in de Tweede Kamer. „Op dit moment wordt ook gekeken naar de mogelijkheden van een financiële tegemoetkoming, vooruitlopend op de uitkomsten van het onderzoek”, zei Hennis. Ze zal daar nog dit jaar meer duidelijkheid over geven.

Omdat de feiten over de giftige chroomverf en de gezondheidsproblemen daardoor nog lang op zich laten wachten, ging het debat tussen Tweede Kamer en Hennis gisteren vooral over procedures en informatievoorziening. Het is niet Hennis’ schuld dat militairen in het verleden langdurig zijn blootgesteld aan giftige chroomverf en dat defensie de risico’s daarvan voor lief nam, vonden alle Kamerleden. Maar ze is wel verantwoordelijk voor de oplossing. Wat wist de minister wanneer over chroom-6? En hoe neemt ze haar verantwoordelijkheid? Die vragen stonden centraal.

Op de manier waarop Hennis de kwestie uitzoekt, was veel kritiek. Het gezondheidsonderzoek dat ze heeft aangekondigd, duurt lang. Wassila Hachchi (D66) had daar kritiek op. Het wordt bovendien uitgevoerd door het RIVM, terwijl „onthullingen in de media” volgens Jasper van Dijk (SP) vragen oproepen over de werkwijze van dat instituut.

En dan is er nog de kwestie van de ‘taskforceleider’. Hennis heeft een oud-officier aangesteld om verschillende onderzoeken „in goede banen” te leiden. Maar die man was vroeger op vliegbasis Twenthe verantwoordelijk voor de spuiterij waar de verf werd gebruikt. „Gewoon niet handig”, zei Raymond de Roon (PVV). Verschillende oppositiepartijen willen van de taskforceleider af, maar daar ging Hennis niet in mee. Ze reageerde kribbig op de druk uit het parlement.

Chroomhoudende verf wordt volgens Hennis „tot op de dag van vandaag” gebruikt om voertuigen te beschermen tegen roest en chemische middelen. Medewerkers op diverse werkplaatsen van defensie zijn langdurig aan die verf blootgesteld, terwijl sinds de jaren tachtig bekend is dat die kankerverwekkend is. Volgens de minister zijn nu de juiste maatregelen genomen om personeel te beschermen.

In totaal hebben zich 900 mensen gemeld die met de chroomverf hebben gewerkt. Zij zijn niet allemaal ziek, zei Hennis, het gaat ook om mensen die zich „grote zorgen maken”. De zaak kwam aan het rollen, zo schetste zij, nadat een aantal medewerkers begin dit jaar een reünie organiseerden.

Eén belangrijke vraag van de Kamer bleef onbeantwoord. Hennis schreef de Kamer in juni dat ze „vooralsnog geen aanwijzingen” had „dat (voormalige) medewerkers structureel zijn blootgesteld aan te hoge concentraties gevaarlijke stoffen”. In de defensie-organisatie was dat niettemin bekend. Het bleef gisteren vaag in hoeverre die informatie haar destijds bereikt had.

Wel had ze, achteraf gezien, die zin „anders kunnen formuleren”. En ze gaf toe dat bij Defensie geen cultuur van openheid heerst. „Zonder lelijk te doen over mijn eigen departement, Defensie had, zeker in het verleden, de neiging om te zeggen dat de zon schijnt, terwijl het heel hard regent.”