Een fles in een betonnen kerk

Bernard Hulsman bespreekt

architectuurontwerpen die op

elkaar lijken. Vandaag: krankzinnige propagandatorens.

Communistische torens: CCTV-gebouw van Rem Koolhaas in Beijing en depropagandatoren van Tatlin voor Sint-Petersburg Foto ANP

Het tijdperk van de onderbroeken lijkt nabij in China. In een twee uur durende toespraak voor cultuurbonzen hekelde de Chinese president Xi Linping onlangs de ‘licht krankzinnige architectuur van rare gebouwen’. Hiermee bedoelde hij onder meer de ‘onderbroek’ in Beijing, zoals de bewoners van de Chinese hoofdstad het immense, lusvormige gebouw voor de Chinese staatstelevisie CCTV van Rem Koolhaas hebben gedoopt. China heeft nu genoeg reuzendildo’s, -keien, -eieren en -blobs, vindt Linping: het is hoog tijd om terug te keren naar ‘normale’ architectuur.

De toespraak van Linping doet denken aan de reactie van een eerdere bekende communistische leider, de Russische bolsjewiek Leon Trotski, op de Toren voor de Derde (Communistische) Internationale van de Russische constructivist Vladimir Tatlin uit 1919.

Tatlins toren is een voorloper van Koolhaas’ CCTV-gebouw. Niet alleen moest de toren in Sint-Petersburg, net als het CCTV-gebouw, het centrum van de communistische propaganda worden, maar ook zijn beide gebouwen ontzagwekkende ‘iconen’. Hoewel Tatlin nooit verder is gekomen dan modellen van een meter of vijf, werd het het symbool van de Russische revolutie.

Vierhonderd meter hoog moest de toren worden, honderd meter hoger dan de Eiffeltoren, toen het hoogste bouwwerk ter wereld. In twee immense, schuinstaande spiralen van beton en staal had Tatlin vier gigantische glazen, draaiende, stereometrische vormen gedacht voor het personeel van de communistische internationale beweging. Boven in de toren moest een radiostation komen en een reuzenprojector die leuzen op de wolken zou schrijven.

Trotski, de meedogenloze stichter van het Rode Leger met een grote belangstelling voor kunst en literatuur, had een zekere sympathie voor Tatlins ontwerp. De constructivistische kunstenaar had er goed aan gedaan om zijn toren niet te bedekken met tierlantijnen, maar „het hele ontwerp ondergeschikt te maken aan een juist gebruik van het constructiemateriaal”, schreef hij in Literatuur en revolutie uit 1923. Maar uiteindelijk vond Trotski Tatlins toren net zo krankzinnig als Linping Koolhaas’ onderbroek. De stutten en pijlers van de spiralen waren zo plomp en zwaar dat ze steigers lijken die zijn blijven staan, schreef hij. „Je begrijpt niet waar ze voor nodig zijn. Je krijgt als antwoord: om de draaiende cilinder te ondersteunen, waarin de vergaderingen plaats zullen vinden. Je werpt tegen: maar de vergaderingen hoeven toch niet per se in een cilinder plaats te vinden en de cilinder hoeft toch niet te draaien? Ik herinner me dat ik als kind eens een houten kerkje heb gezien dat in een bierflesje was gebouwd. Dat vond ik iets fantastisch en ik vroeg me toen niet af: waarom?”

Tatlin, zo ging Trotski verder, koos de tegenovergestelde methode. Hij ontwierp niet een kerk in een bierfles, maar een fles in een kerk van gewapend beton. „Maar nu kan ik de vraag niet onderdrukken: waarom?”