Dom, dommer, dommerst

Neem poep, plas en snot, rol dat in meligheid: het recept van Dumb and Dumber, de topkomedie van 1994. Vieze neefjes van Mr. Bean, grote kerels met kleuterbreinen: het duo Harry en Lloyd groeide nadien uit tot een ‘franchise’ met eigen cartoons, televisie- en animatieseries. Ze waren dan ook onweerstaanbaar gênant en creepy: Jeff Daniels de lodderige goedzak Lloyd, komiek Jim Carrey – die in dat jaar solo doorbrak met The Mask en Ace Ventura – de maniakale kwajongen Harry.

Dumb and Dumer To is de grote reünie van deze acteurs met de gebroeders Farrelly, die in 1994 hun speelfilmdebuut maakten, maar de gehele 21ste eeuw eigenlijk al uit vorm zijn. Na twintig jaar ontwaakt Harry uit een coma (denk rolstoel, luier en urinezak) om na zijn terugkeer thuis (denk wreedheid jegens blinden en papegaaien) Lloyd te helpen om diens dochter op te sporen, voor seks of een donornier. Zij is geadopteerd door een eminente wetenschapper, en zo belandt het duo op een soort TED-conferentie (denk nerds).

Maar vergeet het verhaal, het draait om de sketches over scheet en bilspleet, het vingeren van oma, de penis met pindakaas en seks in de Oesterslurpgrot. Als je erin slaagt het denkvermogen tijdelijk uit te schakelen en te kijken met de onbevangenheid van een kleuter, dan werkt dat zonder twijfel. Mij kon het nu en dan wel een flauwe glimlach ontlokken, maar hilarisch? Daarvoor ontbreekt nu de verrassing en de shock value. En bij infantiele mannetjes van deze leeftijd ga je toch eerder vrezen voor vroege alzheimer.