De drone maakt bombarderen heel persoonlijk

De drone filmt en schiet. Een geschenk uit de hemel voor de VS, leert de IDFA-docu ‘Drones’ – maar wat doet het met de ziel van zijn piloot?

Afluisteren, filmen, schieten. Staat de Amerikaanse surveillancestaat in kwade reuk in het Westen, elders draait het eerder om drones. Robotvliegtuigjes met lugubere namen – Predator, Reaper – die onverwachts en schijnbaar arbitrair toeslaan.

Voor Amerika, dat keer op keer in guerrillaconflicten vastliep – Vietnam, Irak, Afghanistan – zijn deze vliegende verkenners annex raketwerpers een geschenk uit de hemel. Zo kan je in mislukte staten als Somalië, Jemen of Afghanistan vijanden uitschakelen zonder het risico van bodybags. Liefst onder auspiciën van de CIA, die het wat minder nauw neemt met oorlogsrecht.

Hoor CIA-hoofd John Brennan ze in IDFA-documentaire Drones aanprijzen om de „chirurgische precisie” waarmee ze „de kanker wegsnijden zonder het omringende weefsel te beschadigen”. De documentaire stelt van alles aan de orde. Dat ze zich ooit tegen ons kunnen keren: het wachten is op de eerste drone-aanslag. Dat gevechtspiloten plaatsmaken door gamers, getraind met schietgames en simulaties (‘milotainment’) en geneigd spel en realiteit te verwarren. Terwijl de gevolgen van een Hellfire-raket heel reëel zijn: Drones toont dode kinderen en Afghaanse dorpen die leven in permanente angst.

Een (westerse) activist laat levensgrote posters van Afghaanse dorpskinderen op platte daken plaatsen: zo krijgen ze een gezicht voor de dronepiloten die met joystick achter een beeldscherm zitten ergens in een luchtgekoelde container in Nevada. Dat is een denkfout van de critici die in Drones stellen dat ‘de psychologie van afstand’ deze oorlogsvoering onmenselijk maakt. Het tegendeel lijkt het geval: drones maken bombarderen juist persoonlijk. Ooit was het normaal om van tien kilometer hoogte bommen te werpen op Dresden of Hiroshima, nu worden slachtoffers op satellietbeelden juist concreet, zeker als je na afloop de schade moet opnemen. ‘Collatoral damage’ wordt een spelende kleuter of een vrouw met boodschappentas, en hoeveel ‘bijkomende schade’ acceptabel is, is telkens een morele keuze. Gewezen dronepiloot Brandon Bryant, die in Drones zegt dat hij 626 slachtoffers maakte, raakte juist getraumatiseerd omdat ze voor hem meer dan een statistiek werden.

De morele gevolgen van die ‘psychologie van nabijheid’ zijn al in speelfilms verkend, zij het nog niet bevredigend. Zo raakt in Good Kill, dit jaar in competitie in Venetië, een piloot (Ethan Hawke) aan de drank van het lafhartig vermoorden van onbekenden in verre dorpen; pas wanneer hij op eigen houtje een verkrachter opblaast, voelt het goed om god te zijn. Beter is de film Drone van Jaap van Heusden, waar piloot Raymon Thiry het op een vitaal moment laat afweten omdat hij een voetballend Afghaans jochie identificeert met zijn zoon. Empathie lijkt een probleem in de drone-oorlog. Misschien dan ook maar een robot achter de joystick?