Column

Blote kinderen in de geest van Lenin

Research voor ‘Onze Kresj’ (2DOC/VPRO).

In de herfst van 1969 stichtte in Amsterdam een groep ouders en in opvoeding geïnteresseerde buitenstaanders de „anti-autoritaire kresj prins Constantijn”. De naam was bedoeld als sarcastische knipoog naar de tegenstander, de kapitalistiese, burgerlijke samenleving. Op de muur stond de leuze: „Leef en werk in de geest van Lenin.” Wie dat daar geschreven had, dat weten de leden van de kresjgroep, nu zo rond de 70, niet meer precies. In de documentaire Onze Kresj (2DOC/VPRO) wijzen ze op dat punt naar elkaar.

Regisseur Marije Meerman en haar broer, cameraman Gregor Meerman, herinneren zich ook niet veel meer van het bodypainten en met stokken op elkaar inslaan. Maar gelukkig is vrijwel elk detail zorgvuldig gedocumenteerd in de gestencilde notulen van de wekelijkse vergaderingen. Het archief van hun overleden moeder, filmmaker Hilde van Oostrum, vormt een belangrijke basis voor de film, naast gesprekken met de overlevenden.

De kinderen zelf waren al uitgebreid aan het woord gekomen in Marije Meermans eindexamenfilm De Kresj (1995). Ook daarin waren de talrijke filmopnamen van de kresj verwerkt. Het was een spannende film, die uit leek te schreeuwen: moet je nu eens kijken uit wat voor gekkenhuis ik ben voortgekomen.

De toon is nu heel anders, minder verontwaardigd en oprecht nieuwsgierig naar de drijfveren van die generatie. Naast een slecht geheugen delen de meeste sprekers een zelfde soort ambivalentie. In de woorden van een van de moeders: „Ik schaam me ervoor en ik ben er ook trots op.”

Zelf zat ik destijds te dicht met mijn neus op het fenomeen om me voor te kunnen stellen hoe een 25-jarige jonge ouder van nu tegen Onze Kresj aan zou kijken. In ieder geval verbijsterd, net als Marije en Gregor, over de politiek gemotiveerde plicht om je niet te veel aan je eigen kinderen te hechten, want niemand is eigendom van iemand anders, net zo min als in de liefde.

De tweede film is veel beter dan de eerste, gaat dieper, stelt pijnlijker vragen en vindt fraaiere vormen om het verhaal te vertellen. Uiteindelijk is het ook een persoonlijk en uiterst liefderijk portret van beide ouders.

Vader Jacques vindt het nog steeds moeilijk om te praten over zijn huwelijk, dat in die turbulente tijd niet lang stand hield. Hij lijkt verdwaald in de huidige tijd, waarin de lustbeleving van kinderen een nog groter taboe geworden is dan voor 1969. Onvergetelijk beeld: hoe zijn Spaanse paradijsje is overwoekerd door een betonnen viaduct - die metafoor verzin je niet.

Het portret van moeder Hilde bestaat uit foto's, brieven en dagboeken. Ze emancipeerde zich razendsnel van katholiek meisje tot vrijgevochten vrouw en ideologisch scherpslijper. Uit wat ze schreef rijst ook een depressieve verwarring op. In de woorden van haar dochter: „Het contrast kon niet groter zijn tussen de nauwgezette notulen van de kresj en de chaos in haar hoofd.”

Dat typeert wel een beetje waar het mis ging toen het persoonlijke en het politieke samen moesten vallen. Maar met deze twee kinderen is het goed gekomen, want wat een schitterende documentaire hebben ze tot stand gebracht, een requiem voor een utopie én een eenzijdige liefdesverklaring aan hun ouders.