Bloeden en zweten voor Amerikaanse droom

De mythe wil dat saxofonist Charlie Parker pas ‘Bird’ werd nadat hij door drummer Jo Jones met een bekken van het podium af werd gesmeten. Vervolgens sloot hij zich drie jaar op om te oefenen, oefenen, oefenen, als een echte ‘yardbird’, een soldaat met een speciale missie. Dat is althans het verhaaltje dat muziekleraar Fletcher zijn leerlingen aan het prestigieuze New Yorkse Shaffer Conservatorium voorhoudt als hij ze weer eens afbekt, uitscheldt of ronduit vernedert. Kunst komt niet zonder pijn.

Het is een heel romantische opvatting van kunst: repeteren, zweten, falen en opnieuw beginnen horen er allemaal bij. Maar al heel snel vraag je je af of Fletchers mantra pedagogisch wel zo verantwoord is. Hoe hard hij zijn leerlingen ook voorhoudt op zoek te zijn naar de nieuwe Charlie Parker, wat nou als ze de nieuwe Charlie Parker niet zijn? Werkt dat trucje met dat bekken dan nog steeds?

Voor drumtalent Andrew is Fletcher iets tussen een beul en een goeroe. Andrew wil de nieuwe Buddy Rich worden, en oefent zich de blaren op zijn handen, zeker nadat Fletcher zijn oog op hem heeft laten vallen. Maar Fletcher is een grillige en onberekenbare docent. Hij wil het beste van zijn studenten, en zijn studenten zijn meestal ook de besten. Hij duldt geen nanoseconde afwijking van de juiste slag, maar loopt zelf als leraar voortdurend uit de maat. Is hij een sadist of pusht hij zijn pupillen het uiterste uit zichzelf te halen? De lijn is dun.

Wat Whiplash van Damien Chazelle zo fascinerend maakt, is dat de film frontaal inbeukt op de Amerikaanse droom van het maakbare talent. Net zoals Fletcher Andrew tot in extremis tergt, zo tart de film de toeschouwer met bijna ideologische vragen over talent, ambitie en wat je er allemaal voor over moet hebben om te slagen. Op een bepaalde manier is Fletcher een docent die we allemaal hadden willen hebben, zo eentje die inzag hoe geweldig en getalenteerd we zijn – bijna een variant op een Aziatische tijgermoeder. We willen geloven dat alles maakbaar is, als we maar bloeden en zweten. Dat is niet alleen het model van de Amerikaanse droom, maar ook van het Hollywoodscenario.

Daarom zaait Whiplash ook twijfel. Is Andrew wel zo getalenteerd? Wij kunnen met onze gewone oren niet horen of hij 1.000 of 1.028 slagen per minuut haalt. Wat is er met hem aan de hand dat hij zich in die onderdanige leraar-leerlingrelatie schikt? De geweldige drummuziek van Justin Hurwitz (en talloze klassiekers op de soundtrack) en de kinetische montage voeren de druk op, tot ook in ons hoofd iets knapt. Als Fletcher niet zo’n onaangenaam maar intrigerend karakter had gehad, erger nog dan Dr. House in de gelijknamige serie, dan was Whiplash een Disneyfilm geweest. Dat hij dat niet is, maakt hem verontrustend. Hij legt zowel het gevaar van, als de verslaving aan ambitie bloot.