Column

Zoon en moeder

Arnon Grunberg heeft een bijzondere relatie met zijn moeder. Dat wisten we al uit zijn geschriften, maar het wordt op een navrante manier nog duidelijker op de tentoonstelling bij de Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam. Een interessante tentoonstelling die veel inzicht geeft in de wereld van (en volgens) Grunberg, evenals het tegelijkertijd uitgebrachte boek over zijn 25-jarige schrijverschap Ich will doch nur, dass ihr mich liebt.

Tegen de muren van de expositieruimte hangen nogal wat kenmerkende citaten van Grunberg uit zijn werk of interviews. Een ervan luidt: „Dat pesterige heb ik van thuis meegekregen. Mijn ouders hadden niet echt een goed huwelijk. We waren met z’n vieren en we wisten dat we van elkaar zouden willen en moeten houden, maar dat lukte niet. Sterker nog: het ging over in de behoefte de ander kapot te maken.”

Het is een beeld dat de Grunberg-lezer herkent uit zijn autobiografische debuut Blauwe maandagen. Daarin kunnen we lezen hoe de ik-figuur tegen zijn moeder zegt: „Het kan me niets schelen als je zou verrekken, je kan me niets schelen.”

„Je bent een onmens”, reageert zijn moeder.

Ik vermoed dat Grunberg die woorden nu niet meer tegen zijn moeder zou zeggen – het is trouwens de vraag of hij ze toen écht meende. Uit expositie en boek wordt duidelijk dat zoon en moeder in een andere fase van hun leven zijn beland. Niet toevallig wil hij een boek over haar schrijven; ook komt er een tv-documentaire over haar.

In een interview in Ich wil doch nur… zegt hij dat ze een heel andere relatie hebben sinds zij in 2010 erg ziek werd. Hij woont nu zelfs weer bij haar in. „Eigenlijk heb je geen vrouw meer nodig als je een moeder hebt.”

Zo willen onze moeders het horen! Zijn moeder gun ik het van harte, want uit een artikel van Bob Polak in voornoemd boek blijkt ten overvloede wat een bizar leven zij, Hannelore Klein, achter de rug heeft. Met haar ouders in 1939 gevlucht uit Duitsland, na treurige omzwervingen in Nederland beland, daar naar Westerbork en ten slotte naar Theresienstadt en Auschwitz-Birkenau getransporteerd, waar haar ouders vergast werden en zij overleefde.

Aan het einde van de expositie zijn enkele fragmenten te zien van de tv-documentaire over Hannelore, die de Joodse Omroep volgend jaar zal uitzenden. Het lijkt alsof er een symbiotische relatie tussen zoon en moeder is gegroeid. Ze gaan liefdevol met elkaar om. Ze zitten in de tuin en praten over haar treintransport destijds van Dresden naar Auschwitz. „Hoe lang duurde die reis?”, vraagt Arnon. „Drie of vier dagen”, zegt zij. Hij wrijft over zijn neus, kijkt weg, vraagt: „En was er niets te eten tijdens de reis?” „Ik geloof een soeplepel suiker voor drie dagen”, zegt zij, „niets te drinken, niets.” Arnon, slecht op zijn gemak, zwijgt en kijkt weer weg.

In een ander fragment ligt ze in het ziekenhuis. Ze voelt zich op de rand van de dood, zegt ze telefonisch tegen hem. Hij schreeuwt haar toe dat ze vertrouwen moet houden op een goede afloop en hij voegt eraan toe: „Ik heb jou toch verschrikkelijk nodig, mijn motek.” Misschien verbeeldde ik het me, maar ik meende te horen dat Arnon zelfs even het Duitse accent van zijn moeder overnam. Zij antwoordt: „Jij wilt toch mijn ezeltje blijven?”

Het klinkt zonder beelden misschien sentimenteel, maar ik vond het aangrijpend.