Zelfs Kramer cijfert zich weg voor sprinttalent

Schaatser Gerben Jorritsma is komend weekeinde favoriet op de massastart bij de World Cup. „Eigenlijk ben je wel sprinter.”

Gerben Jorritsma: „Ik had vroeger niets met schaatsen, wilde het liefst geduwd worden.” Foto Kees van de Veen

Ineens stond hij op het podium. En plotseling was Gerben Jorritsma de schaatser die iedereen in de gaten houdt. Voor wie ploeggenoot Sven Kramer zelfs graag bereid is snelheid te maken in het beslissende rondje van de massastart.

Een „supermooi” onderdeel in het schaatsen, zegt de jonge Drent aan de vooravond van de wereldbekerwedstrijden in Obihiro (Japan), die vrijdag beginnen. Op zijn eerste reis in Azië start hij direct als favoriet op de massastart, dat op de Winterspelen van Pyeonchang (2018) waarschijnlijk al de olympische status heeft. „Ik hou van dat tactische spel tussen al die rijders, waarbij je soms de gekste capriolen uithaalt om te winnen.”

Jorritsma, met zijn 21 jaar de jongste schaatser in de Lottoploeg van coach Jac Orie, schuift dit seizoen schijnbaar moeiteloos aan bij het niveau van teamgenoten als Kramer, Stefan Groothuis, Kjeld Nuis en Jan Smeekens. „De overgang ging makkelijker dan ik dacht”, erkent hij thuis op de boerderij van zijn ouders in Diever. „Ik was best wel bang dat ze in de zomer veel harder zouden fietsen of skeeleren.”

Ook Orie was verbaasd toen hij het talent anderhalf jaar geleden binnenhaalde als stagiair. Jorritsma had bij de junioren indruk gemaakt door nationaal kampioen te worden op alle afstanden, en leek geknipt voor een loopbaan als allrounder. Maar bij de eerste testen bleek hij nauwelijks onder te doen voor de sprinters in de ploeg. Jorritsma: „Bij de sprongtesten sprong ik net zo hoog als de anderen, op goede dagen zelfs hoger. ‘Eigenlijk ben je ook wel een sprinter’, zei Jac.”

Wat heet: bij het olympisch kwalificatietoernooi voor de Olympische Spelen in Sotsji reed Jorritsma, zeker voor een 20-jarige, al een razendsnelle tijd op de 500 meter (35,18) – maar te midden van het Nederlandse sprintgeweld bleek het niet genoeg voor een olympisch ticket. „Daar werd zo gruwelijk hard gereden, het niveau was zó hoog. Ik kon er wel vrede mee hebben dat ik de Spelen niet haalde. Al kreeg ik later allemaal berichtjes van mensen die zeiden dat ik mij in de meeste andere landen wel zou hebben geplaatst.” Maar niet voor niets was in Sotsji het hele podium van de 500 meter oranje, met dank aan Jan Smeekens en de gebroeders Michel en Ronald Mulder.

Een jaar later kiest Jorritsma voor de middellange afstanden – de hogesnelheidstrein van Nuis en Groothuis – met voorlopig de massastart als belangrijkste specialisme. Het is hem op het lijf geschreven, de minimarathon over zestien ronden. Als junior was hij onverslaanbaar op dit onderdeel. En dit seizoen won hij als senior de twee races waaraan hij deelnam. Op zijn laatste ronde heeft nog niemand een antwoord gevonden. „Mijn topsnelheid ligt hoger dan bij de rest”, zegt Jorritsma. „Ik kan net zo’n snelle ronde rijden als Stefan Groothuis. Maar ik kan ook na zestien ronden nog een snelle ronde rijden. Het lukt mij blijkbaar heel goed om energie te sparen.”

Gerben Jorritsma: zoon van een Friese melkveehouder die jaren geleden neerstreek in Drenthe. Behalve schaatsen mag hij graag tekenen, het liefst snelle auto’s. Creatief, rustgevend. Of anders alleen de natuur in, jagen op roofvissen in de Dwingelderstroom, in het groene landschap achter de weilanden bij zijn ouderlijk huis. Als langebaanschaatser is hij een typisch product van de moderne Nederlandse school, met een multidisciplinaire achtergrond als basis voor succes. Al ging dat niet van harte.

Hij kon nog maar net lopen toen hij op skeelers al aardig uit de voeten kon, bij de skeelerclub Lindenoord in Wolvega. Rijden op wieltjes vond hij geweldig, maar schaatsen, in de winter, wilde hij niet. „Door het skeeleren stond ik kaarsrecht op mijn schaatsen, maar ik bleef op het ijs het liefst achter een stoel. Ik had niks met schaatsen, ik wilde alleen geduwd worden. Mijn moeder zei: je moet in de winter toch iets doen als je in conditie wilt blijven voor het skeeleren. Schaatsen leek er het meest op, dus ben ik dat maar gaan doen.”

Om bochten te leren schaatsen koos hij voor shorttrack, en kwam in de kleine hal van Thialf terecht bij de Nederlands-Oekraïense coach Kosta Poltavets, later onder meer coach bij TVM en de Russische schaatsbond. „Sjinkie Knegt zat ook in de groep”, weet Jorritsma nog. Uiteindelijk sloot hij vrede met de schaatsen, al bleef skeeleren lang zijn grote passie. Toch reed hij op zijn veertiende zijn laatste wedstrijden op het asfalt. „Ik viel nog wel eens, dan lag ik er een poos uit. Ik heb er een losse tand aan over gehouden die dood is, en een paar goede schaafwonden. Ik wilde het risico niet meer lopen.”

Nu traint hij als benjamin van de groep van Orie met olympisch kampioenen van Sotsji, schaatsers met titels en wereldrecords op hun naam. Maar „grote mannen” zijn het vooral voor de buitenwereld, merkte Jorritsma. „In de trainingen is iedereen gelijk bij ons, iedereen gedraagt zich normaal. Sven is precies hetzelfde, al wil hij voor de buitenwereld nog wel eens een grote kerel zijn.”

Opvallend was dat Kramer anderhalve week geleden in Thialf liet merken dat hij het leuk vond om voor Jorritsma te rijden. In de massastart maakte Kramer in de laatste ronde snelheid voor zijn jonge ploeggenoot, die het vervolgens ijskoud afmaakte met een geweldige eindsprint. „Zo is Sven in het dagelijks leven ook. Hij is een killer in het schaatsen, maar als we met de ploeg in een hotel zitten staat hij als eerste op om voor iedereen thee te halen.”

Jorritsma plaatste zich voor de wereldbekerwedstrijden in Azië niet alleen voor de massastart, maar ook voor de 500 meter. „Uiteindelijk word ik liever bekend van de korte en middellange afstanden, dan alleen van de massastart. Maar nu ga ik eerst voor een podiumplek in Azië. De rest komt daarna wel.”