Column

Zeg nooit: Bach Zeg: de componist Bach

In den beginne. Wacht. Niet zo snel. Laten we niet op de zaken vooruit lopen. Alles op zijn tijd. Eerst maar vertellen wat er gebeurde, voordat ik begin met wat ik te zeggen heb.

Het zat namelijk zo. Deze week werd ik – van nature toch al geneigd tot onzekerheid en vatbaar voor correctie – tot vertwijfeling gebracht door een strenge redactrice in Engeland. Ergens had ik iets geschreven over iemand. Om precies te zijn, ik had geschreven dat hij sleepwagenchauffeur was, waarna hij scheepsarts werd. De redactrice ontplofte.

Althans, zij pakte een rood potlood en wees me terecht. Zo stond er nu dat hij sleepwagenchauffeur was en later, ‘na het voltooien van een medische opleiding aan Trinity College in Dublin’, scheepsdokter werd. Kennelijk was de redactrice bang aansprakelijk te worden gehouden voor alle schade die voortvloeit uit de suggestie dat je vanzelf arts wordt als je maar lang genoeg met een sleepauto hebt rond gereden.

Ze had gelijk. De maatschappij wordt terecht steeds preciezer. Je kunt er niet zomaar op los leven: daar komen brokken van. Er is verantwoording nodig, en het afleggen van rekenschap. In mijn omgeving hebben mensen hun beroepstaken in de zorg en het onderwijs allang ingeruild voor registratieverplichtingen, en nu was ik aan de beurt. Maar hoe gerechtvaardigd de roep om tekst en uitleg ook was, toch lag ik ’s nachts uren wakker. Natuurlijk was ik graag bereid preciezer te zijn, ik wist alleen niet waar te beginnen.

Het nachtelijke tobben droeg niet bij aan de accuratesse waarmee ik mijn werk de volgende ochtend hervatte. ‘One of the Georges’, schrijft P. G. Wodehouse, ‘een van de Georges – ik weet niet meer welke – heeft ooit gezegd dat een bepaald aantal uur slaap per dag – ik kan me op dit exacte moment niet goed herinneren hoeveel – een man maakt tot iets wat me nu even niet te binnen wil schieten. Maar ja, zo zit het. Het basisidee van het gedoe heb je te pakken.’

Helemaal helder mocht ik dan niet zijn, ik snapte opeens wel waarom de redactrice me had gecorrigeerd. Omdat lezers debiel zijn. Zelf wist ze best dat een arts een opleiding nodig heeft. Alleen haar suffige lezers wisten dat niet. En ook op dit punt had ze volkomen gelijk.

Lezers zijn niet zo snugger. Zeg daarom nooit: ‘Berlijn’. Zeg: ‘De Duitse hoofdstad Berlijn.’ Zeg: ‘De Duitse hoofdstad Berlijn wordt tot en met zondag verlicht door duizenden lichtgevende ballonnen.’ Zeg nooit: ‘Bach’. Zeg: ‘de componist Bach’. Zeg: ‘Al meer dan negentig jaar brengt de Nederlandse Bachvereniging de componist Bach dichter bij de mensen.’

Intussen zat ik er maar mooi mee. De tijd drong. Ik moest langzamerhand echt aan het werk. Maar na een doorwaakte nacht zat mijn hoofd vol mist en regen. De vraag bij welk begin ik moest beginnen werd steeds vager.

Alles welbeschouwd was het niet voldoende dat ik hier en daar een detail ter verduidelijking toevoegde, ik moest steeds verder terug in de tijd.

Een man wordt niet zomaar sleepwagenchauffeur tenslotte. Aan ieder feit gaat een ander feit vooraf en wilde ik mijn werk verantwoord doen, dan moest ik leven en geschiedenis aflopen in omgekeerde richting.

Allereerst zou ik voor de volledigheid moeten noteren dat ik dit inzicht niet aan mezelf ontleende, maar aan de Engelse schrijver Lawrence Sterne.

‘Ik weet dat er in de wereld lezers zijn’, schrijft Sterne, ‘zowel als andere brave mensen, die helemaal niet lezen – die zich ongemakkelijk voelen als ze het hele geheim niet van voor tot achter te horen krijgen.’

Reden voor hem om het leven van zijn personage Tristram niet bij geboorte of verwekking te laten beginnen, maar nog daarvoor. Op het moment namelijk dat de verwekking bijna spaak liep, omdat de toekomstige moeder van Tristram in de hitte van de strijd plots iets te binnen schoot. ‘Zeg, lieverd’, zei ze tegen de toekomstige vader van Tristram. ‘Heb je niet vergeten de klok op te draaien?’

Snel, als ik hier nog iets over iemand wilde schrijven, moest ik fluks op zoek naar dit soort details. Niet alleen om me over het een en ander te verantwoorden, maar ook om op een bepaalde manier volledig te zijn.

Dingetje, je weet wel – die hoofdpersoon van The Catcher in the Rye, hoe heet hij ook weer – zegt het ook. Dat de lezers precies willen weten ‘wat voor hopeloze jeugd ik heb gehad en waar mijn ouders zich zoal mee bezighielden voordat ze mij kregen en al dat soort David Copperfield geouwehoer’.

Ik gaapte. Als ik me goed concentreerde, kon ik nog net lezen dat dingetje eraan toevoegde: ‘maar ik heb geen zin het daarover te hebben, als je echt weten wilt’. En zo was het. Ook ik had geen zin. ‘Wat een gezeur’, zuchtte ik dapper. ‘Ik begin gewoon.’

Maar helaas. Voor het begin was het alweer te laat.