U moet Nederlands leren en dat moest u trouwens al

Het kabinet-Rutte II heeft de mond vol van decentralisatie: het overhevelen van taken naar wat, onder meer in het regeerakkoord, zo netjes ‘medeoverheden’ wordt genoemd, om de term ‘lagere overheden’ te vermijden. Daarmee worden vooral de gemeenten bedoeld. En overhevelen is soms een eufemisme voor afschuiven.

De uitvoering van de bijstandswet, inmiddels Wet werk en bijstand (WWB) geheten, is al geruime tijd een taak van gemeenten; daar hebben zij sociale diensten voor. Gemeenten moeten de bijstandsuitkeringen grotendeels zelf betalen. Dat alleen al, zo is de aanname, zal hen aanzetten tot een zo zuinig mogelijke uitvoering ervan.

De WWB voorziet per 1 januari 2015 al in deels nieuwe, strengere eisen, waarvan de meest in het oog springende is dat „kleding, gebrek aan persoonlijke verzorging of gedrag” de kans op een betaalde baan niet mag belemmeren. Daar komt straks de voorwaarde bij van voldoende beheersing van de Nederlandse taal. Hoewel, eigenlijk was het altijd al een eis aan de uitkeringsgerechtigde dat hij, ook bij de verplichte reïntegratie-inspanningen, alles deed wat in zijn vermogen lag om op de arbeidsmarkt een plaats te vinden. Zoals het beheersen van de Nederlandse taal. Dat helpt daarbij vanzelfsprekend; het is bovendien een vaardigheid die ook in het overige maatschappelijk verkeer aanzienlijk van pas kan komen.

Toch heeft het kabinet gemeend nog eens expliciet de taaleis wettelijk te verplichten, in een aparte wet die deze week in de Tweede Kamer wordt behandeld. Alsof het de gemeenten nog eens moet worden ingepeperd dat zij weliswaar ‘medeoverheden’ zijn, maar eigenlijk toch ook vaak slechts uitvoeringsorganen die zich naar de richtlijnen van ‘Den Haag’ hebben te schikken.

De wet is de vertaling van wat in het regeerakkoord uit 2012 zo geharnast was geformuleerd: „Wie de Nederlandse taal niet beheerst krijgt geen bijstandsuitkering.” Dat blijkt nu aanzienlijk genuanceerder te liggen. Wie kan aantonen dat hij acht jaar op een Nederlandstalige school heeft gezeten, hoeft niet op cursus en evenmin de taaltoets te ondergaan die de nieuwe wet wenst. Een toets die volgens de gemeenten tot veel bureaucratie zal leiden.

Duidelijk is dat de nieuwe wet zich met name richt tegen de bijstandsontvangers die van buitenlandse afkomst zijn. Dat is niet zonder politieke betekenis. Wie de taal niet beheerst en niet zijn best doet om in dat gebrek te voorzien, wordt fasegewijs gekort op de uitkering, eventueel tot nul. Maar de wet voorziet tegelijkertijd toch in zoveel uitzonderingen op deze regel, te beoordelen door de gemeenten, dat er eigenlijk slechts sprake is van verbaal vertoon.

Deze wet getuigt van Haagse regelzucht en is overbodig.