Sport is autonoom, de VN zeggen het nu zelf

Euforie bij het IOC. De Verenigde Naties hebben een resolutie aangenomen waarin zij de „onafhankelijkheid en autonomie” van de sport omarmen. Voorzitter Thomas Bach sprak vorige week zelfs van een „historische mijlpaal”. Klinkt dubbelop. In de resolutie, voorgesteld door zeventien landen uiteenlopend van Duitsland tot Qatar en van Cuba tot Australië, wordt benadrukt hoe vredestichtend, anti-discriminerend, verzoenend en tolerant de grote, internationale sportevenementen zijn. Zo positief is de formulering dat de vraag mag worden gesteld waarom VN en IOC niet voor 365 dagen per jaar zulke manifestaties op touw zetten, die bij voorkeur 24 uur per etmaal duren. Nooit meer oorlog.

Het is duidelijk, beweren ze nu bij het IOC, dat de VN zich keren tegen boycots van sportevenementen, omdat die in strijd zijn met de oproep die uit de resolutie spreekt om de waarden van de sport te respecteren.

Nooit meer een sportboycot dus? Vergeet het maar.

Niet alleen omdat de boycot nergens in de resolutie wordt genoemd. Maar vooral omdat de de scheidingsmuur die Israël op de Westelijke Jordaanoever heeft gebouwd, geheel behangen zou kunnen worden met resoluties vol vrome wensen die nimmer zijn vervuld. En bovenal omdat de boycot een middel is dat politici, actiegroepen, ngo’s, cabaretiers en ga maar door, zich niet zullen laten ontnemen. Al was het maar omdat vooral de oproep tot een sportboycot een effectief en goedkoop middel is om misstanden in een land onder de aandacht te brengen.

De neutraliteit waar het IOC zo op hamert, is praktisch onhaalbaar. Dat bewees het vorige maand zelf met de (voorlopige) toelating van het olympisch comité van Kosovo tot zijn ledenbestand. Dit betekent dat sporters onder de vlag van Kosovo aan de volgende Spelen (2016) mogen meedoen. Kosovo is niet eens lid van de VN en tientallen landen hebben het niet erkend als zelfstandige staat. Uiteraard is Servië woedend over dit besluit van het IOC. Dat daarmee een duidelijk politiek statement gaf.

Omgekeerd zullen staten de sport altijd als politiek instrument inzetten als ze dat uitkomt. In zijn dit jaar verschenen boek Sport en politiek (veelzeggende onderkop: De strijd om glorie, macht en geld) gaf de voormalige parlementariër Bob van den Bos (D66) enkele soms bizarre historische voorbeelden. Op de Olympische Spelen van Tokio in 1964 was de laatste fakkeldrager, Yoshinori Saki, een man die geboren was in Hiroshima op de dag dat de atoombom er viel. Japan was uit zijn as herrezen, zo symboliseerde hij. In de tijd van het communisme, de Vietnamoorlog en het anti-Amerikanisme achter het IJzeren Gordijn lieten organisatoren van een internationale atletiekwedstrijd in Bulgarije weten dat de medailles waren gemaakt van het metaal van Amerikaanse vliegtuigen die boven Noord-Vietnam waren neergeschoten. Koude Oorlog-retoriek.

Met sport kun je als machthebber proberen te pronken. Zoals Van den Bos schreef: „Omstreden regimes kunnen de organisatie van een groot toernooi aanwenden ter legitimatie van zichzelf of hun beleid. Ongewild worden in zo’n geval sporters en officials voor een politiek doel gebruikt.” Omgekeerd: als de machthebber en zijn bewind anderen niet aanstaan, zullen er oproepen tot sportboycots blijven bestaan.

Niet alleen het IOC koestert de wensdromen dat sport kan bijdragen aan de vrede op de wereld. Het was de secretaris-generaal van de VN, Ban Ki-moon, Koreaan, zelf die eerder dit jaar, bij een bezoek aan het IOC, de hoop uitsprak dat de Winterspelen van 2018 in Pyeongchang een stimulans zullen vormen voor de verzoening tussen Noord- en Zuid-Korea. Dat is wat (top)sport en politiek delen: de illusie dat het goed komt, de hoop op succes. Een onmisbare motivatie.