‘Peuteroog wordt te vaak onderzocht’

Kinderen zeven keer op luie ogen onderzoeken, zoals nu gebeurt, is overdreven. Maar schaf niet álle testen af, waarschuwen onderzoekers.

Deze plaatjes vormen samen de ‘Amsterdamse plaatjeskaart’, waarmee de gezichtsscherpte van driejarigen wordt gemeten.

Om luie ogen bij peuters en kinderen tijdig op te sporen, onderzoekt de consultatiebureau-arts in vier jaar tijd zes keer de kinderogen. En kort daarna screent de schoolarts nog een keer. De artsen kijken of een kind scheel ziet en bij driejarigen ook of het kind scherp ziet.

Zeven keer, dat is overdreven vaak, blijkt uit onderzoek van de groep van Huib Simonsz, hoogleraar oogheelkunde aan het Erasmus MC. Want de meeste ouders slaan zelf alarm als hun peuter scheel kijkt.

Dat de ouders scheelzien opsporen, rolde een jaar of vijf geleden al uit onderzoek van Simonsz. Nu onderzoekt Frea Sloot ook wat er gebeurt als de consultatiebureau-arts drie van de zeven lui-oogscreeningen achterwege laat. Er zijn vier jaar lang rond de 11.500 kinderen bij betrokken.

Het onderzoek is pas in 2016 af, maar Sloot weet inmiddels dat weglaten van de screening bij de leeftijd van een half jaar weinig uitmaakt. Dat publiceerde ze vorige maand in Acta Ophthalmologica (online). „Bij het tweede meetmoment en bij 14 en 24 maanden lijkt het verschil ook heel bescheiden”, zegt Sloot, „maar die analyse is nog niet helemaal af.”

Het gevaar is dat bezuinigers aan de haal gaan met die voorlopige resultaten. Vanaf volgend jaar brengen de gemeenten de consultatiebureaus bij de jeugdzorg onder. Bij die overgang wordt flink bezuinigd.

De verleiding is groot om alle screening op het luie oog eruit te gooien. „Maar wat je zeker niet moet doen, is de oogscreeningen bij baby’s van vier weken en drie maanden schrappen”, zegt Sloot. Zij doet mee aan het onderzoek en traint consultatiebureau-artsen. „Want die eerste screeningen zijn ook bedoeld om aangeboren oogziekten op te sporen. Zoals kanker in het oog en staar.”

Onderzoeksleider Huib Simonsz kondigt aan dat hij „persoonlijk zal langsgaan” bij gemeenten die overwegen oogscreeningen bij baby’s weg te bezuinigen. Zo’n bezoek kunnen gemeenteambtenaren ook verwachten als ze de meting van de gezichtsscherpte bij drie- en vierjarigen af willen schaffen.

De screening op een lui oog heeft het percentage Nederlandse kinderen met een blijvend lui oog verlaagd van drie naar krap één procent. Dat kost iets minder dan 30 euro per kind. Een vermindering van het aantal screeningen met een derde levert toch geld op – bijna twee miljoen euro, omdat er jaarlijks bijna 180.000 kinderen worden geboren.

Simonsz veralgemeniseert het probleem: „Het Rijk gooit op 1 januari de jeugdzorg over de schutting naar de gemeenten. Die moeten beslissen over prioriteiten zonder dat de overheid ze de benodigde kennis of bewijzen verschaft.” Desinvesteringsonderzoek, onderzoek dat laat zien welk medisch handelen overbodig is, wordt weinig gedaan in de preventieve geneeskunde.

Samen met Europese collega’s heeft Simonsz bij de EU wel een forse subsidie aangevraagd om te kijken hoe in Europa de screening van gezichts- en gehoorsafwijkingen qua kosten geoptimaliseerd kan worden.

Een eerste inventarisatie laat zien dat de verschillen tussen Europese landen groot zijn. Sloot: „In Nederland doen consultatiebureau-artsen de oogscreening. In Scandinavië zijn het de verpleegkundigen, in Duitsland de kinderartsen en in Groot-Brittannië deels optometristen en deels verpleegkundigen. Maar er zijn ook landen waar vrijwilligers de screening uitvoeren. In veel Oost-Europese landen bestaat geen landelijke organisatie, maar wordt een oogonderzoek bijvoorbeeld lokaal door een Rotary Club georganiseerd.”