Geen troost in imposante ‘Lohengrin’

Juliane Banse (Elsa, l.), Nikolai Schukoff (Lohengrin) en mannenkoor in Wagners Lohengrin, bij De Nationale Opera Foto ruth walz

Sommigen herinnerden het zich nog: Wagners Lohengrin (met de fameuze bruidsmuziek) ging in première op 02-02-2002: de dag van het koninklijk huwelijk.

De reprise van die destijds zeer succesvolle productie in de regie van Pierre Audi en met de desolate decors van kunstenaar Jannis Kounellis voelt na zo’n lange periode bijna als een nieuwe voorstelling, ook omdat de cast geheel vernieuwd is. Maar de conclusie blijft dezelfde: wie in Lohengrin troost wil vinden, komt bedrogen uit. Bij Audi en Kounellis rest slechts een asgrijze sfeer van verlating. Weliswaar slaagt Lohengrin erin de in een zwaan omgetoverde troonopvolger Gottfried terug te veranderen, maar hij blijkt een broos knaapje naar wiens heroïsch geheven speer niemand omkijkt. Zelfs de hereniging in „innige vervoering” met zus Elsa blijft uit. Haar ridder is weg, de hoop is dood.

Verhaaltechnisch is Lohengrin (1850) niet Wagners sterkste opera en er zijn plekken waarop juist deze enscenering het begrip nog complexer maakt – Kounellis’ uitbeelding van de zwaan als karretje met roeispanen bijvoorbeeld.

In de enscenering van Audi draait het vooral om druk van buiten die relaties desastreus kan doen ontsporen. Dat in het toneelbeeld kruizen overheersen, is daarbij geen toeval: twee echtparen vormen de botsende assen van de handeling tegen een achtergrond van christelijke symboliek.

In het kort: Heinrich von Telramund – meer dom dan slecht – was voorbestemd te trouwen met Elsa, maar is nu met intrigante Ortrud. Hij klaagt Elsa aan: ze zou een minnaar hebben en haar broer Gottfried hebben vermoord. Elsa bidt dat de ridder uit haar dromen haar zal redden, en zie: hij verschijnt, vloert Heinrich en schenkt hem zijn leven voor berouw. Op de trouwdag van Elsa en haar ridder voeden Heinrich en Ortrud Elsa’s verliefde onrust en prikkelen haar de Verboden Vraag te stellen: wie haar ridder is. Hij onthult dan zijn aard. Als Graalridder kon hij alleen als onbekende tussen de mensen blijven. Nu, ontmaskerd, moet hij subiet terug naar de Graalburcht.

Einde liefde, hoop en geluk.

Lohengrin is een lastig te bezetten opera, met zware rollen (Elsa, Ortrud, Lohengrin) en een monsteraandeel van het koor.

Bij De Nationale Opera is net een nieuwe koorleider, Ching-Lien Wu, aangetreden en deze productie, haar eerste in functie, is vooral ook haar triomf. Imposant en stralend is het 100-koppige koor, dat in de eerste akte als volk/edelen van Brabant in griezelig hermetische letterbakopstelling de hele achterwand vult en Elsa ter verantwoording roept. Ook het bruidskoor is geweldig gezongen, met messcherpe dictie. Het zalvende zoet contrasteert zo des te scherper met het bijtende zout dat volgt.

In zulke contrasten tekent zich ook de meesterhand van chef-dirigent Marc Albrecht, niet voor niks met zijn Nederlands Philharmonisch en De Nationale Opera net voor twee Edisons genomineerd. Al in de ouverture laat Albrecht zijn orkest extreem subtiel en ontroerend de fijnste draden weven, om daarna de idylle met ferme hand om te buigen naar verraad en conflict.

De cast vormt in verhouding de zwakste schakel, hoewel de vlammende Ortrud van Michaela Schuster zowel theatraal en vocaal een onvergetelijk is. Sopraan Juliane Banse (Elsa) maakt haar roldebuut, en ondanks prachtmomenten zijn er scènes waarin haar timbre inboet aan glans en je je afvraagt of deze rol op lange termijn geschikt is. Voor tenor Nikolai Schukoff geldt dat ook: zijn stem klinkt in de lyrische passages poëtisch, maar bij vocale krachtpatserij mist hij kern. Evgeny Nikitin (mede vermaard om zijn nu ingekleurde swastika-tattoo) is een potente, maar monochrome Telramund, die met meer belcanto meer reliëf aan zijn rol had kunnen geven. Bastiaan Everink is met zijn vooral grote stem imponerend in zijn element als Heraut.