Buma op zoek naar de kleine luyden

Sybrand van Haersma Buma is het archetype van een bepaald soort Nederlands politiek leider. Grote golven van enthousiasme maakt hij niet los, en tot in zijn naaste CDA-omgeving zijn er mensen die hem niet zien als een inspirerende persoonlijkheid. In de peilingen stijgt het CDA nauwelijks uit boven het all time low van dertien zetels in de Tweede Kamer waarop de partij, al onder zijn leiding, in 2012 belandde. Hij scoort aanzienlijk minder goed in die peilingen dan die andere leider van een middelgrote oppositiepartij in het midden, Alexander Pechtold, of zijn concurrent op de rechter oppositieflank, Geert Wilders.

Maar wie de CDA-leider ziet optreden, in de Tweede Kamer, op tv of zoals afgelopen weekend op het congres van zijn partij in Alkmaar, denkt: hier staat iemand in de lift.

Buma, zoals hij zich graag kortweg laat noemen, is zelfverzekerd en ontspannen, overtuigd van zijn politieke toekomst en van de vitaliteit van zijn partij. Hij hoeft alleen maar zichzelf te blijven: de positie die hij al vier jaar bekleedt, in de Kamer, zal eens de juiste plek op het juiste moment blijken. Volgend jaar, na de verkiezingen voor provinciale staten en de Eerste Kamer, kan een klein verlies al tot optimaal resultaat leiden: het CDA telt straks weer mee.

Voor gelovers in de partijendemocratie is het geruststellend zoals het nu bij het CDA gaat. Een vitale politieke partij wordt niet gemaakt door een sterke leider; zo’n partij produceert leiders. En die hebben tijd nodig om in de luwte van de macht in hun rol te groeien. Zo ging dat bij de VVD, waar Mark Rutte rijpte in de oppositie. Rutte kende lastige fases, zoals de strijd met Rita Verdonk. Maar juist in die tijd werd het leiderschap gevormd dat hem nu als premier overwicht oplevert, zoals regelmatig te zien is in de Kamer. Wie overleeft, kan groeien.

Sybrand Buma is ook een overlever. Je zou het bijna vergeten, in de veilige afzijdigheidspositie van het CDA in de laatste twee jaar, maar Buma is overgebleven uit de tijd dat het CDA verscheurd werd in de gedoogcoalitie met de PVV. Hij deelde toen het leiderschap met vicepremier Verhagen, maar trok al lijnen waarin je het CDA van nu herkent. Neem zijn voorstel dit weekend om gevluchte Syriërs te behandelen als ontheemden die ooit terug moeten naar hun land. Of zijn pleidooi om het verheerlijken van geweld strafbaar te stellen. Die voorstellen sluiten aan bij een artikel dat hij in de zomer van 2011 schreef in Christen Democratische Verkenningen, het blad van het Wetenschappelijk Instituut van het CDA, om de gedoogcoalitie met het PVV te verdedigen.

Het is nog steeds interessant. In dat artikel schetst hij aan de hand van wat hij een „foto van de samenleving” noemt een „onzichtbare scheidslijn” tussen winnaars en verliezers van de globalisering. Hij is bezorgd omdat het CDA, net als andere traditionele partijen „steeds minder een veilige haven [is] geworden voor bezorgde burgers”.

Kijk maar naar onze congressen, zei de Buma van 2011: veel goed opgeleide, betrokken burgers, zeker onder de jongeren. Maar waar waren de anderen, „de burgers die zich verdrukt voelen?” Het antwoord: bij de PVV – en dus was het goed om met die partij te regeren, vond Buma. Hij verbond dat wel met een typische CDA-boodschap: die verliezers zijn geen „vrijgevochten en rationele individualisten”, maar „mensen die zoeken naar binding en identiteit”. Dáár vragen ze om. Uiteindelijk moest het CDA, erfgenaam van Abraham Kuyper, dat ‘de kleine luyden’ zelf bieden.

De Buma van 2014 leidt een partij die niet meer wil samenwerken met de PVV. Maar de pro-PVV’ers van toen hebben wel gewonnen in het CDA. Je begrijpt dat voor Buma Piketty bijzaak is: voor de christen-democraten gaat identiteit boven gelijkheid. Want daarmee moet hij, net als ooit de charismatische Kuyper, de ‘onzichtbare scheidslijn’ oversteken en nu stemmen gaan trekken.