Bommen hebben IS nauwelijks verzwakt

In reactie op de luchtaanvallen hebben de jihadisten van IS zich ingegraven. De Iraakse en Koerdische strijders zijn te zwak om gebieden te heroveren.

Drie maanden nadat de eerste bommen vielen, verloopt de strijd tegen de Islamitische Staat in Syrië en Irak bijzonder moeizaam. Vanwege een gebrek aan inlichtingen voert de internationale coalitie te weinig luchtaanvallen uit om de naar schatting 30.000 IS-strijders echt terug te dringen. De jihadisten hebben zich ingegraven. En het Iraakse leger en de Koerdische strijders zijn te zwak om grote gebieden te heroveren.

President Obama kondigde dit weekend aan het aantal Amerikaanse militairen in Irak te verdubbelen naar meer dan 3.000. Geen gevechtseenheden, maar trainers die Irakezen en Koerden moeten helpen bij het het opbouwen van hun troepen en het smeden van een aanvalsplan. Er wordt gesproken over een omvangrijk offensief in de lente, om de grote steden die dit jaar in handen zijn gevallen van IS te heroveren. Om de operatie te financieren wil het Witte Huis nog eens vijf miljard dollar uitgeven.

Obama sprak van „een nieuwe fase” in de oorlog: „We zijn nu in een positie om enigszins in het offensief te gaan. De luchtaanvallen hebben IS verzwakt en de opmars afgeremd. Wat we nu nodig hebben zijn grondtroepen.”

Velen zien in de troepenuitbreiding een teken van zwakte. De internationale coalitie voert in Irak én Syrië gemiddeld maar vijf luchtaanvallen per dag uit. Ter vergelijking: bij de NAVO-operatie in Libië waren dat er vijftig.

Beweeglijke doelen

Door het gebrek aan informatie zijn de doelen schaars. Commandocentra, trainingskampen en wapenopslagplaatsen zijn in het begin van de luchtoorlog al geraakt. Nu gaat het vooral om beweeglijke doelen: tanks, artillerie, konvooien. Veel IS-strijders houden zich schuil onder de bevolking.

Obama’s antwoord is dus: grondtroepen. Geen Amerikaanse, maar Iraakse. Want het credo blijft: no boots on the ground. De VS hebben twee bases van waaruit de Iraakse troepen worden aangestuurd, één in Bagdad en in één in Erbil, de hoofdstad van Koerdistan. Daar komen er twee bij, onder meer in Anbar – de sunnitische provincie waar IS de afgelopen weken verder is opgerukt.

Op vijf nog onbekende locaties worden kampen opgezet, waar de VS negen Iraakse en drie Koerdische brigades willen trainen – ongeveer 24.000 militairen. De operatie is in zekere zin een déjà vu: de afgelopen tien jaar hebben de VS al 14 miljard dollar gepompt in het opbouwen van het Iraakse leger, dat tijdens de opmars van IS volledig verkruimelde.

Het zoeken van locaties voor de trainingskampen zal naar verwachting drie maanden in beslag nemen, de training nog eens zeven maanden. Dus een offensief in de lente is erg optimistisch. Het geeft de jihadisten in ieder geval tijd om zich voor te bereiden.

In Anbar hopen de VS de succesvolle strategie uit de vorige oorlog te herhalen, toen ze een sunnitische opstand tegen de voorloper van IS organiseerden door stammen te betalen en bewapenen. Sommige stammen hebben opnieuw de wapens opgenomen, maar hun aantal is te klein. En IS drukt elk verzet met grof geweld de kop in. Onlangs werden in Anbar massagraven gevonden met in totaal 500 lijken. Alle slachtoffers waren van de opstandige stam Al-Bu Nimr.

Daarbij zijn de woede en het wantrouwen onder sunnieten jegens de door shi’ieten gedomineerde regering nu veel groter dan in 2006. Veel stammen hebben zich aangesloten bij IS. Volgens de VS doet de nieuwe Iraakse premier Abadi zijn best om sunnieten tegemoet te komen. Maar shi’itische milities begaan nog altijd grove misdaden met steun van de regering.

Bij de herovering van Jurf al-Sakhar maakten milities de stad met de grond gelijk, zo meldde The Washington Post. Alle 80.000 inwoners werden verjaagd, wie achterbleef werd gezien als IS-strijder. Het offensief werd geleid door de beruchte militie van de Badr-organisatie, die in 2007 duizenden sunnieten martelde en vermoordde. Een leider van deze organisatie is nu minister van Binnenlandse Zaken.