Amerika’s vergeten koning

Schrijfster Pia de Jong verhuisde met haar gezin van Amsterdam naar Princeton, in de Verenigde Staten. Ze schrijft over wat haar opvalt.

Illustratie Eliane Gerrits

Op een druilerige novemberochtend in een afgelegen streek in New Jersey rijd ik het terrein op waar eens het exorbitante landgoed stond van de Comte de Survilliers. Rond 1820 moet het een waar lustoord zijn geweest: het mooiste huis van de Verenigde Staten, op het Witte Huis na. Nu staat er een spuuglelijk gebouw van de missionarissen van het Gezelschap van het Goddelijk Woord. Een gemeenschap opgericht in het Limburgse Steyl, niet ver van mijn geboorteplaats Roermond. Hun sobere levensstijl staat in schril contrast met die van de mysterieuze graaf van bijna twee eeuwen terug.

Tim, de klusjesman die me rondleidt, blijkt een amateurhistoricus. Zijn piepkleine kantoortje is volgestouwd met boeken, prenten en kaarten. Onder een stolp ligt een scherf van een fles Château Mouton Rothschild, gevonden bij recente opgravingen. De graaf hield van dure wijnen. Honderden flessen hebben de ijverige archeologen gevonden en 14.000 glasscherven.

Tim neemt me mee naar buiten. Daar, wijst hij, was het kunstmatig aangelegde meer met de zwanen die de graaf uit Europa importeerde. In de winter mochten de kinderen uit het stadje Bordentown hier schaatsen. Dan rolde hij sinaasappels, die hij uit Spanje liet aanvoeren, over het ijs naar ze toe.

„Kijk uit”, roept Tim als ik uitglibber op het natte gras. Hij wijst naar een gapend gat vlak voor ons. „Het hele gebied is ondertunneld”, vertelt hij. Het landgoed is namelijk aangelegd als onderduikplek. De Comte de Survilliers was de schuilnaam van Joseph Bonaparte, ex-koning van Spanje, in alle haast gevlucht uit Europa, waar hem na de nederlaag van zijn jongere broer in de Slag bij Waterloo weinig goeds te wachten stond. Voor alle zekerheid had Joseph de Spaanse kroonjuwelen meegenomen. De tunnels liet hij aanleggen om te kunnen vluchten als het nodig was, maar ze bleken ook heel handig om allerlei goederen onopvallend naar het huis te brengen. „Door deze tunnels”, zegt Tim, enigszins besmuikt, „kon hij zijn vele minnaressen ongemerkt zijn slaapkamer binnenloodsen. Een van hen was Annette Savage, de achttienjarige dochter van de winkelierster bij wie hij zijn bretellen kocht. Ze kregen twee dochters.”

Het kost me weinig moeite me het landgoed voor te stellen. Het was een centrum voor kunst en cultuur, iedereen van belang kwam langs. Deze Bonaparte had altijd al meer belangstelling gehad voor boeken, kunst, vrouwen en wijn – zijn bijnaam was Joey Bottles – dan voor oorlog voeren en staatszaken. Er werd gedineerd met de prachtigste serviezen en het eten werd geserveerd door besnorde lakeien in livreien. Soms gaf hij de lokale bevolking, veelal puriteinen en quakers, een rondleiding waarbij hij niet uitgepraat raakte over de Titiaan die in zijn slaapkamer hing. De geheel naakte Lucretia, belaagd door de wellustige Tarquinius. Die kleur, die glans, die beweging, die rondingen! De gasten wisten van schaamte niet waar ze moesten kijken.

Toen het landgoed afbrandde, snelde de bevolking van Bordentown toe om de kunst te redden. Joseph keerde zeventien jaar later terug naar Europa om in de armen van zijn immer loyale echtgenote Julie Clary te sterven.

En de kroonjuwelen? Ruim 150 jaar na de roemloze vlucht van de gevallen koning dook de beroemde reuzenparel, bijgenaamd La Peregrina (de zwerfster), weer op. Waar? In het wulpse decolleté van Elizabeth Taylor. Hollywood royalty.