Altijd een knuppel in de achterbak

Ex-hooligan Henk Bres moet in de media het geluid van ‘het volk’ vertolken. Bres wil vooral aardig gevonden worden blijkt uit een net verschenen boek over hem.

De belangrijkste moraal van Henk Bres: van vrouwen, oude mensen, kinderen en dieren blijf je af Foto ANP

Henk Bres had altijd een honkbalknuppel in zijn auto liggen. Als een collega zijn vrouw Corretje had beledigd, dan stoof hij naar haar werk met de honkbalknuppel. Toen de sociale dienst een beloofde subsidie niet aan hem wilde verstrekken, sloeg hij er alles met zijn honkbalknuppel kapot. Het personeel wachtte bevend buiten tot de politie kwam.

Zo loste Hagenees Henk Bres jarenlang conflicten op. Het staat beschreven in het onlangs verschenen (lezenswaardige) boek Bres waarin journalist Jan Dijkgraaf de Bekende Nederlander Bres interviewt over zijn leven. Op de achterflap staat dat hij eerlijk is en er „achter de ruwe bolster een enorme blanke pit schuilgaat”. Het voorwoord is van televisiepresentator Humberto Tan.

Een ding is zeker: Henk Bres (62) is een mediafenomeen. De afgelopen vijftien jaar werd hij overal uitgenodigd – van radioprogramma’s tot Sterrenslag. Media wilden graag mensen van de straat aan het woord laten en Bres paste in het plaatje: een grote vent met een Haags accent, een oorbel en tatoeages. Als vast lid van debatprogramma Het Lagerhuis verkondigde hij de opvatting van de gewone man. Henk Bres kan, tussen de woorden „tyfus” en „tering” door, geestig de moraal van de vroegere Haagse Schilderswijk verwoorden.

Die moraal luidt: van vrouwen, oude mensen, kinderen en dieren blijf je af. Aan je voetbalclub, je ouders en je vrouw ben je trouw. „Nergens krijg ik eten zoals bij mijn Corretje. Ik ken nog niet schijten zonder mijn Corretje”, zegt hij over haar in zijn boek. Ze zijn al 41 jaar samen, sinds haar zestiende. Zijn oude vader nam hij jarenlang mee op vakantie naar Oostenrijk.

Van buitenlanders moet Bres niks hebben. Hij stond in maart bij Geert Wilders „minder minder minder” te scanderen over Marokkanen. En de aanwezigheid van buitenlanders is één van de redenen waarom hij nooit naar een verpleeghuis wil. „Dan komt er waarschijnlijk een buitenlandse zuster je kloten wassen. Dan wordt er tegen je gepraat in een taal die je niet begrijpt en krijg je vreten dat je niet lust.”

Bres vertelt veel over zijn ruige verleden. Hoe hij de ene keer een „blaffer” (pistool) in iemands mond stak om iets gedaan te krijgen, de andere keer met drie kennissen tegelijk ieder een blaffer tegen het hoofd hield van één man. Dat hij vroeger in het bos homo’s in elkaar sloeg en later in de gevangenis pedoseksuelen. Hij haat pedoseksuelen ondermeer omdat zijn vrouw als kind werd misbruikt. In totaal zat Bres zo’n achttien maanden in de gevangenis, wegens vechten, vernieling en inbraak.

Henk Bres werkte lange tijd mee aan het televisieprogramma de Sterkste man van Nederland. In de jaren negentig deed hij informele beveiliging bij houseparty’s. ‘Incasso’ deed hij ook voor kennissen – mensen intimideren die een rekening niet hadden betaald. Hij was voorzitter van de supportersvereniging van FC Den Haag en hooligan. Op een dag ging hij in zijn eentje de strijd aan met tientallen opgefokte Ajax-hooligans. Hij werd volledig in elkaar geslagen en de politie moest hem redden. Maar respect had hij toen wel gewonnen. Week in week uit vocht hij met Haagse hooligans tegen die van andere clubs.

Bres werd liefdevol opgevoed door zijn ouders. Waarom dan later zo veel geweld gebruiken? Hij vermoedt dat hij als kind een minderwaardigheidscomplex had omdat hij er als een slungel uitzag en zich daardoor wilde bewijzen. En hij zegt in een bijzin dat hij weleens bang was dat hij het zachtaardige van zijn moeder heeft geërfd.

Veel geld verdiende hij niet. Hij deed eerst ongeschoold werk en werkte later zwart naast zijn uitkering. Als jonge taxichauffeur sjoemelde hij met de taximeter zodat hij meer uren kon maken dan toegestaan. Corretje werkte altijd, onder meer in winkels, maar belandde later in de WAO. Ze accepteerde alles van Bres, ook dat hij soms nachtenlang wegbleef. Ze bezocht hem steevast in de gevangenis. Kinderen hebben ze niet.

Zijn vele zakelijke mislukkingen geven hem iets sympathieks. Toen hij kamers verhuurde aan prostituees kwam aids op: alle klandizie weg. Zijn zonnebankstudio kreeg amper klanten omdat net dat jaar de zon negen maanden lang scheen. „Als ik een kapperszaak zou openen, liet iedereen zijn haar groeien”, zegt hij. De enige periode waarin hij geld had om reisjes te maken, was die waarin hij cocaïne verkocht.

Hij werd ook vaak opgelicht. Voor een inbraak in een videotheek die hij voor de eigenaar ensceneerde, kreeg hij nooit het beloofde geld. Tussen 2001 en 2003 reed hij elke week naar Hilversum om mee te praten in een radioprogramma – ook dat beloofde honorarium kreeg hij nooit.

Zijn openhartigheid over vrouwen is aandoenlijk. „Ik schaamde me gewoon voor mijn lijf”. En: „Ik begrijp nooit wanneer een vrouw iets van mij wil, ik zie het gewoon niet.” Hij houdt van lol en gezelligheid. „Ik kan wel met wijven omgaan maar niet op de sekstoer.”

Henk Bres, zo blijkt, wil aardig gevonden worden. Hij stopte met cocaïnehandel toen één van zijn cliënten zich doodreed, vlak na het snuiven. Het was niet zozeer die dood die Bres tot inkeer bracht, maar de blikken van de familie op de begrafenis. Ze keken hem aan alsof het zijn schuld was, als dealer, dat zij hun geliefde kwijt waren.

Het is de vraag of de mediamensen die zijn charme zo waarderen, hem nog steeds op handen dragen nadat ze dit boek hebben gelezen. Tot nu toe was alleen Paul Witteman kritisch. Hij zei eens tegen Bres: „Jij bent een gevaarlijke vent. Iedereen pikt het van jou. Jij kunt alles zeggen.”