Zo rotmoeder, zo rotzoon

De moeder van schrijver Adriaan van Dis is dood. Daardoor kon hij beginnen aan het boek dat hij móest schrijven: over het bloed dat zij onder zijn nagels vandaan haalde. Hij deed hetzelfde bij haar, blijkt uit zijn goudeerlijke nieuwe boek.

Foto Merlijn Doomernik

Ik kom terug is geen roman. Het boek is wat in de Engelstalige wereld een memoir heet, een vertelling waarin de schrijver probeert zich rekenschap te geven van een deel van zijn leven. En dan wordt eerlijkheid een sleutelbegrip, juist omdat het niet vanzelf spreekt. Vandaar Adriaan van Dis’ mantra, ‘eerlijk zijn’. Uiteindelijk kan een mens alleen maar proberen om eerlijk te zijn, wat Van Dis (1946) na acht jaar psychoanalyse heel goed weet. Zeker in de relatie met zijn moeder, die decennialang vooral gebaat was bij zo weinig mogelijk contact.

Dat lag in de eerste plaats aan haarzelf. Op de openingsbladzijden van Ik kom terug vecht ze met haar zestienjarige zoon om de sleutel van de kist waarin zij haar herinneringen aan Indië bewaart. Hij geeft haar een zet, zij valt. ‘Twee grote tranen gleden langs haar neusvleugels, links een, rechts een, heel traag – een beeld dat zich brandde in mijn geheugen: mijn moeder kon huilen.’ Als je het verzint, is het kitsch – er valt wel wat aan te merken op het boek als roman: het is eenzijdig van perspectief, bij vlagen sentimenteel, en het bevat nogal wat clichématige anekdotes.

Maar als je het leest als memoir wordt echt gebeurd wél een excuus. Je krijgt soms de neiging om jeugdzorg te bellen: Adriaans vader is net dood en zijn moeder probeert met een ‘magnetische centraalblik’ de geest van de overledene uit haar zoon te jagen.

Mammie Van Dis krijgt reliëf

Zo heeft Van Dis recht van klagen, maar op haar 98ste komen mammie en hij toch tot een vergelijk. Hij kan beter met haar omgaan naarmate zij hulpelozer wordt. Zij wil hem de verzwegen verhalen uit haar verleden vertellen (‘Waarom logen we zo graag in de familie’), maar op voorwaarde dat hij haar helpt te sterven. Want ze heeft er genoeg van: ‘Jij een verhaal, ik een pil.’

De moeder heeft monsterlijke trekken, maar de eerlijke Van Dis zet ook zichzelf meedogenloos neer. Dat begint wanneer zij hem zegt nog eens naar haar Zeeuwse geboortegrond te willen om de klei te voelen. ‘Ik stelde voor de volgende keer mijn laptop mee te nemen en met Google Earth boven het boerenland te zweven. En klei kon ik overal opspitten.’

Onvolwassen, maar dáár zit juist de kracht van Ik kom terug. In de manier waarop Van Dis, onhandig maar oprecht, probeert in contact met zijn moeder te komen. Dat doet hij zowel in zijn beschrijving van de ontluistering van de vrouw in het rusthuis, als in de verhalen die zij vertelt.

Zo krijgt de moeder reliëf. Echt prettig wordt ze nooit, maar zij aan zij met haar zoon begin je iets te begrijpen. Hoe ze in de jaren dertig viel voor een Indische officier, doodalleen op verschillende eilanden in de archipel verbleef (en gezelschap zocht), het kamp overleefde en ten slotte met een nieuwe, veel te moeilijke man terugkeerde naar Nederland, om zich daar te verliezen in esoterie en in haar onvermogen om zich met warmte tot haar kinderen te verhouden. Intussen speelt een constante zorg om status en bezit.

Wat de moeder dan weer wél beheerste, was het tegen elkaar uitspelen van die kinderen, zoals blijkt wanneer haar zoon en dochter zich melden aan het ziekbed, dat een sterfbed wordt. De dochter eist dadelijk de regie op, dag en nacht. ‘Aan haar de eer van de laatste reutel’, schrijft Van Dis dan – niet zonder gif. Dat de zus die eer daadwerkelijk opeist door, als hij voor een festival in Frankrijk is, dadelijk de morfine te laten aanrukken is des te wranger.

Vijf aardige herinneringen

Er zit veel in Ik kom terug waarvan je blij bent dat je het niet zelf hebt hoeven meemaken, inclusief de onvermijdelijke taferelen rondom een aftakelend lichaam. Van Dis schrijft het allemaal op als een observator die het veelzeggende detail niet schuwt, óók als het hem niet flatteert.

Hij geeft een gesprek met een vriendin weer, waarin ze hem vertelt allerlei goede herinneringen aan zijn moeder te hebben en hem voorstelt een lijstje van haar aardige kanten te maken. Van Dis doet het braaf: vijf aardige herinneringen. Wat ze precies zijn, doet minder ter zake dan het feit dat Van Dis ze zo letterlijk opschrijft.

Hij had ze natuurlijk best onopvallend in zijn verhaal kunnen weven, maar zo laat hij zijn worsteling met de moederliefde prachtig zien: hoe hij zich moet dwingen om haar recht te doen, om zich in haar te verdiepen. Want hij moet toch in staat zijn als een normaal mens, volwassen en redelijk met haar om te kunnen gaan? Hij moet toch kunnen voelen wat iedereen voelt?

Die strijd is de kern van Ik kom terug. Het is een uitgangspunt dat niet vrij is van ijdelheid, maar het is, inderdaad, eerlijk. En boeiend tot de laatste bladzijde.