Wie knap is, kan niet óók nog grappig en slim zijn. Toch?

Schrijver Nick Hornby (van About A Boy) is terug, met een roman over vrouwen, amusement en de sixties. „Schoonheid in tegenspraak met comedy? Onzin, natuurlijk.”

Een Britse missverkiezing in de jaren zestig, gemaakt door fotograaf Tony Ray-Jones (1941-1972). Foto SSPL/Getty Images

Nick Hornby is uitgekeken op mannen. De Britse schrijver mag zijn wereldwijde faam te danken hebben aan de lanterfantende vrijgezel Will en Marcus het getroebleerde buitenbeentje uit zijn boek About A Boy (1998), en met Rob, de muzieknerd uit High Fidelity (1995), en met zichzelf als personage in Fever Pitch (1992), zijn liefdesverklaring aan Arsenal. Maar die types heeft hij afgezworen. In zijn nieuwe roman Funny Girl is de hoofdrolspeler een jonge vrouw. Vrouwen vindt hij véél interessanter.

Hornby (57) begint er zelf over, achteroverleunend in een bureaustoel in zijn Londense kantoor, als hij via Skype vertelt hoe zijn nieuwe boek ontstaan is. „Ik ben mijn interesse in jonge mannen kwijtgeraakt. De levens van jonge vrouwen zijn vaak begrensd door sociale barrières, door verwachtingen, door hun geslacht. Dat maakt die verhalen bijna automatisch interessant, vanuit een dramatisch oogpunt.”

Funny Girl gaat over een jonge vrouw die knap is én grappig én slim. Ze heet Barbara (of Sophie, of toch Barbara). Het verhaal begint in de jaren zestig, als Barbara een missverkiezing wint in het provinciestadje Blackpool. Maar ze kiest ervoor om niet haar schoonheid uit te buiten en niet als pronkmeisje door het land te toeren. Ze laat haar uitgestippelde leven achter en gaat naar Londen, om haar geluk te beproeven als comédienne. Ze doopt zich om tot Sophie, dat sprankelt wat meer, en komt in contact met de juiste mensen, die haar komische talent herkennen. Zo krijgt ze de hoofdrol in de BBC-sitcom Barbara (and Jim), waarin ze – ironisch grapje van Hornby – het personage Barbara speelt, een jonge vrouw uit Blackpool.

Het verhaal kwam voort uit de film An Education (2009), over een meisje in de jaren zestig dat dolgraag door wil leren, tegen ieders wens. Hornby schreef het filmscenario, waarvoor hij een Oscarnominatie kreeg. Hij herinnert zich een opmerking van actrice Rosamund Pike, die meespeelde in de film. „Haar rol is heel funny, daarom wilde ze ’m graag. Ze zei: ‘Geen enkele filmmaker laat mij grappig zijn.’ Dat zette me aan het denken: ze is Bondgirl geweest, waardoor mensen haar altijd associëren met haar schoonheid. Ze raakte daardoor ingesloten in de rol van de beeldschone Britse blonde, dat was haar taak in het leven. Een komische rol kreeg ze niet.”

Zij kon daarin toch haar eigen keuze maken?

„En dat deed ze ook, omdat zij daartoe bereid was. Maar niet omdat de buitenwereld aan haar dacht voor een komische rol. Comedy vergt van je dat je rare gezichten trekt en klunzig doet. Daar word je meestal niet knapper van. Schoonheid lijkt in tegenspraak met comedy. Alsof een knappe vrouw niet grappig kan zijn.”

En dat was in de jaren zestig, vóór de tweede feministische golf, misschien nog wel sterker.

„In de Verenigde Staten hadden ze Lucille Ball, de ster van de sitcom I Love Lucy. Maar in Groot-Brittannië hadden we geen equivalent van haar, er waren alleen maar mannen. De enige vrouwen in Monty Python stonden op de achtergrond in bikini. Met Sophie, die óók zo knap is dat ze een missverkiezing wint, wilde ik de geschiedenis een beetje herschrijven.”

Want het had gekund, bedoelt u? De BBC was in uw beschrijving ook een avontuurlijk bedrijf: wie een goed idee had kreeg zendtijd.

„Zo was het. De sixties waren enorm goed voor creativiteit, er werd geweldige comedy gemaakt. Het was sociaal commentaar, het was grappig én het trok een miljoenenpubliek. Naar een gewone aflevering van een sitcom keken zo twintig miljoen mensen – tegenwoordig de kijkcijfers van een WK-finale. De wereld stopte even met draaien als er iets op tv was. Iedereen keek. Om jaloers op te zijn.”

Nu klinkt u een tikkeltje nostalgisch.

„Ja, voor iemand met een creatief beroep moet het een fantastische tijd geweest zijn!” Hij staat even op om zijn elektronische sigaret tevoorschijn te halen. Als hij terugkomt relativeert hij wat hij net daarvoor zei: „Bij de jaren zestig denken we aan optimisme, verandering, de opkomst van de jeugd. Maar dat drong nog niet tot de hele BBC door, daar waren ze nog behoorlijk traditioneel. De vrije liefde, de Beatles en wiet roken waren niet meteen mainstream. Daarom vond ik het ook niet clichématig om dit verhaal over de sixties te vertellen: in deze omgeving is het nieuwe tijdperk nog niet aangebroken. In die tijd gingen er nog mensen de gevangenis in omdat ze hun homoseksualiteit in praktijk brachten.”

Wilde u met uw boek iets zeggen over die tijd?

„Nee, het verleden kwam als een gevolg van de verhaalconstructie. Ik wilde aan het slot Sophie laten terugkijken op haar leven, in 2014; dan begint het in de sixties, reken maar uit. Maar wat me interesseerde aan het verhaal zijn de dingen van toen die nu nog steeds gelden.”

Zoals de discussie over amusement op tv, die in uw boek gevoerd wordt. De regering hier in Nederland wil nu dat de publieke omroep geen amusement meer uitzendt, omdat dat zonde is van het belastinggeld. Is dat toeval?

„Die discussie is van alle tijden. Hier klagen sommigen ook dat er belastinggeld naar een BBC-show over ballroomdancing gaat.”

Maar vervolgens blijkt het lastig om de grens te trekken tussen amusement en dat wat wel ‘waardevol’ is.

„Nou, dat dansprogramma hééft geen andere waarde dan amusementswaarde, maar dat is op zich niks vreselijks. Het is leuk om de tijd mee te vullen. Het is alleen zorgelijk als de makers cynisch worden en zeggen: dit is shit, maar ik maak het toch, want veel mensen vinden het leuk.”

Hoe komt het dat ze dat zeggen, denkt u?

„Ik denk door het misverstand dat gewone mensen dom zijn, en dat de dingen die gewone mensen leuk vinden dus ook wel dom zullen zijn. Terwijl de hele geschiedenis van de populaire cultuur aantoont dat de dingen waar mensen echt van houden en die blijven bestaan, zijn gemaakt door intelligente mensen, op zo’n manier dat het toch breed aanslaat. Die kunstvorm interesseert me het meest.”

Zo’n kunstvorm is comedy bij uitstek.

„Ja, ik wilde in mijn boek graag de ernst van amusement laten zien. Tony en Bill, de schrijvers van Barbara (and Jim), nemen hun werk heel serieus, ze discussiëren over de kleinste details van een grap. Ze zijn échte schrijvers, die dingen willen zeggen over de wereld en tegelijk mensen laten lachen en aan de wensen van een groot publiek tegemoetkomen.”

Dat is ook uw ambitie als schrijver, zeker?

„Ja, het is ook mijn ambitie om niemand van mijn verhaal te vervreemden. En ik neem daarvoor geen gas terug, beter kan ik niet. Als je mensen nauwkeurig observeert en iets opschrijft wat waarachtig is, kan dat al waarde hebben. Dat probeer ik. Als er al een boodschap in Funny Girl zit, is het dat werk betekenis kan geven aan je leven.” Lachend: „Zelfs als dat werk het schrijven van comedy is!”

Of het spelen in een comedy, zoals Sophie doet. Maar doordat ze vrouw is, kan ze er niet eeuwig mee doorgaan. Tragisch.

„Ja, een beetje. Maar al doe je maar één ding dat mensen zich zullen herinneren, dan is dat al heel wat.”

Lees ook in nrc.next: Grappig en pijnlijk en Hornby’s beste boek