Pas op voor de boesjeude!

ILLUSTRATIE OLIVIA ETTEMA

In de zwartepietendiscussie – grote kanshebber voor woord van het jaar 2014 – speelt traditie een grote rol. Er mag niets of weinig aan het sinterklaasfeest veranderen, zo hoor en lees je vaak, omdat het hier gaat om een onschuldige, oude Nederlandse traditie. En aangezien Sinterklaas als Spaanse bisschop nogal saai en serieus is, kan er zéker niets of weinig worden veranderd aan de rol van Zwarte Piet.

De knecht van Sinterklaas is immers de spil van dit kinderfeestje, want van oudsher is hij grappig, vrolijk en leuk.

Zelf herinner ik me dat anders. Ik zette mijn schoen in de jaren zestig. Dat was een tijd van grote maatschappelijke veranderingen, maar aan Sinterklaas en Zwarte Piet leek de flowerpower geheel voorbij te gaan. Als kind kreeg ik te horen, ook op school: als jij je niet beter gedraagt, stopt Zwarte Piet je in een zak en neemt hij je mee naar Spanje.

Sinterklaas was eerder streng dan saai. Alles wat je fout had gedaan, stond in zijn grote boek; je kreeg pas een cadeautje nadat hij je had getrakteerd op een zeurpreek.

En nee, wij zongen niet het olijke „Zwarte Piet ging uit fietsen, toen klapte zijn band…”, maar „Wie zoet is krijgt lekkers, wie stout is de roe” . Mijn moeder moest me uitleggen wat een roe was, maar Zwarte Piet had ’m indertijd altijd bij zich: de bos wilgentwijgen waarmee je iemand flink kon afranselen.

De meeste kinderen in mijn omgeving waren dan ook doodsbang voor Zwarte Piet, mede door zijn onvoorspelbare gedrag. En ik heb indertijd veel kinderen huilend op de schoot van Sinterklaas zien zitten – eveneens doodsbang.

Zwarte Piet als de man die met instemming van ouders en leerkrachten ondeugende kinderen ontvoerde – je hoort er nu te weinig over. Hij was niet de enige zogeheten kinderschrik. Je kon, als lastig kind, eveneens worden meegegeven aan zigeuners, landlopers of marskramers. In Drenthe en Groningen was het tot zeker in de jaren zestig van de vorige eeuw heel gewoon om kinderen te waarschuwen voor de boesjeude, olde jeude of maljeude. Deze boze, oude of slechte Jood woonde volgens de overlevering in oude waterputten, in de rivier of in het donkere bos. Als je daar te dicht bij in de buurt kwam, werd je door de Jood gegrepen. Of je werd door je ouders bij de boesjeude afgeleverd, als je niet wilde deugen.

De ironie wil dat het grootste gevaar voor kinderen indertijd niet van buiten maar van binnen de gemeenschap kwam – denk aan het kindermisbruik op grote schaal door katholieke geestelijken, onder wie bisschoppen. Maar dat terzijde.

Af en toe duiken er overigens Joden in sinterklaasliedjes op. Zo luidt een Sinterklaasliedje uit 1872: „Geef den kleinen kinders wat / Geef den grooten een schop voor ’t gat / Laat de kleintjens loopen / De groote willen we verkoopen / Aan een ouden smous!” Smous is een scheldwoord voor ‘Jood’.

Ik bedoel maar: wie nu roept dat er niks mag worden veranderd aan onze gezellige, oude Nederlandse traditie, ziet volledig over het hoofd dat er de laatste decennia al heel veel is veranderd.