Column

Pandemonium in trein

Het was een nogal dommelig ritje in de nachttrein van Rotterdam naar Amsterdam geweest, totdat drie Surinaamse Nederlanders in Leiden hun entree maakten. Drie stevige mannen van in de dertig. Ze stapten luidruchtig binnen, namen luidruchtig plaats in een aangrenzend compartiment en begonnen aan een luidruchtige conversatie, waarbij het er om leek te gaan dat de een de ander zo hard mogelijk overschreeuwde. Verder hadden wij nachtreizigers er geen last van, behalve de mensen die de ruimte met de binnenkomers moesten delen – een van hen, een meisje, kwam bij ons zitten.

Zouden ze een kaartje hebben? Dat is een vraag die bij een oppassende kleinburger als ik in zulke situaties onvermijdelijk opkomt. Ik meen ook altijd heel goed het antwoord te weten: néé. Waarom vraag ik het dan? Zo zit de mens nu eenmaal in elkaar: altijd gebrand op antwoorden die hij al weet.

En het is ook zo prettig om vervolgens gelijk te krijgen. Ik had daarom bijna instemmend geapplaudisseerd toen een korte, pronte conductrice, ook van Surinaamse herkomst, vergezeld van een mannelijke collega, vastberaden door het gangpad opstoomde naar het lawaaiige compartiment. Het recht ging zegevieren.

Even later brak inderdaad een indrukwekkend pandemonium los. De drie riepen, nee, brulden dat zij wel degelijk hadden ingecheckt, maar dat de apparatuur, onbetrouwbaar als altijd, in gebreke was gebleven. Konden zij het helpen? Het was altijd hetzelfde liedje: je deed je best om in te checken, je ging er ook vanuit dat het gelukt was, maar steeds was er zo’n verrekt apparaat dat je in de steek liet, nu zelfs bij drie man tegelijk. En probeer dan maar eens je onschuld te bewijzen!

De conductrice hoorde het ijzig aan en begon met opklimmende toonhoogte het ene na het andere argument te weerleggen. Haar vonnis luidde dat de mannen geen geldig vervoerbewijs bezaten en daarom verplicht waren alsnog bij haar een kaartje te kopen en bovendien een boete te betalen. Dat kon ook thuis, dan kregen ze een keurig acceptgirootje, mits ze nu bereid waren hun persoonsgegevens te verstrekken.

De mannen begonnen te donderen alsof ze in Keulen waren geboren. Het was een bittere schande. Hoe was het mogelijk dat je doodeerlijk in Leiden incheckt en vervolgens als een misdadiger behandeld wordt terwijl je rustig in de trein zit? Waar hadden ze het godverdegodver aan verdiend?

De conductrice persisteerde met snijdende stem. Het lawaai van de ruzie verspreidde zich als een oplaaiend vuur door de trein. We reden Amsterdam Centraal binnen en een vrede was nog niet in zicht. De drie liepen naar de deuren. De conductrice bleef hun gegevens opeisen en hield de deuren geblokkeerd toen de trein bij het perron stopte. „Ik roep de security als jullie niet meewerken”, zei ze. „Ik heb in Leiden ingecheckt, man”, zei een van de drie tegen de andere conducteur. Deze keek hem vuil aan: „Mán…ik ben geen mán.”

De andere treinreizigers stonden er in een groepje omheen. Ik had bijna geroepen: „Toe nou, jongens, ik kom van de Nacht van de NRC in Rotterdam en ik ben doodop, laat me naar huis gaan.” Maar ik zweeg, want de kans leek me klein dat ze zouden zeggen: „Nou zie ik het, jij bent die columnist van de NRC, wat leuk, hoe lang doe je nou over zo’n stukje?”

Het duurde nog een minuut of vijf. Toen gaven de mannen zich over en mochten we allemaal naar bed.