Column

Henk en Connie en humaan asielbeleid

Nog geen week na mijn laatste stukje over Henk en Connie Louer, hogedrukspuiter en schoonmaakvoorvrouw uit Tilburg-Oost, tevens PVV-stemmers en voormalig thuistelers van wiet, begon Connie paniekberichtjes te sturen. Het ging over Sharif Salihi (20), de Afghaanse asielzoeker over wie haar familie zich ontfermt („Ik sta echt achter Wilders, en vol is vol, maar er zijn uitzonderingen.”). Er was een brief van de IND gekomen.

„Hoe kom ik bij Teeven”, appte Connie.

Sharif kwam als 14-jarige alleen naar Nederland. Negen maanden later werd zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning afgewezen, maar als minderjarige mocht hij blijven tot zijn achttiende. Sharif liep stage bij autosloperij Smulders, van Connies neef, en haalde zijn mbo-diploma. Zo leerde haar familie hem kennen: harde werker, sprak Nederlands, en een „goei jong”, dus die help je. Ja hallo, zei Connie: Henks vader smokkelde nog Joden in de onderduik.

Henk en Connie vinden dat je niet iemand jaren kunt laten proeven van Nederland, en ook nog alles voor hem betalen, en hem dan weer over de grens sodemieteren: „Dat kán gewoon niet.”

Ook was er nog Sharifs levensverhaal: op zijn twaalfde, zijn moeder was al overleden, zag hij hoe drie neven tijdens een ruzie over een stuk grond zijn vader vermoordden. Waarna een oom hem naar Iran bracht, drie maanden bij hem bleef en hem toen achterliet met een baantje in een fabriek, waar Sharif ook sliep. Via smokkelaars vluchtte hij op zijn veertiende in een vrachtwagen naar Nederland.

Hier dacht de IND dat hij loog. Omdat Sharif niet kon zeggen waarover de grondruzie van zijn vader precies ging. Hij het de ene keer had over messen, en de andere keer over stokken en stenen. De IND had Sharif bovendien psychisch onderzocht en niets ontdekt wat een verklaring in de weg stond.

Maar later kwam Sharif onder behandeling bij de ggz in Tilburg, waar een posttraumatisch stresssyndroom werd geconstateerd. Na veel moeizame gesprekken bekende Sharif door zijn oom in Iran te zijn misbruikt. De behandelaar schreef aan Sharifs advocaat dat terugsturen „een onverantwoord hoog risico tot vervroegd overlijden van cliënt” betekende.

Dus toen Sharif na zijn achttiende verjaardag te horen kreeg dat hij terug moest, stapte Connie woedend naar Omroep Brabant en schreef ze een brief naar de koning. „En een antwoord? Helemaal niks.” Defence for Children luisterde wel en stelde een kritisch rapport op, waardoor Sharif een tweede poging mocht doen bij de IND: een nieuwe aanvraag, nu inclusief stresssyndroom en seksueel misbruik.

En die aanvraag is nu ook afgewezen. Er zou geen sprake zijn van „rechtsrelevante nieuwe feiten of omstandigheden”.

Ik haalde eerst wat stukken op bij Henk en Connie. Belde daarna Piet Hein Hillen, Sharifs advocaat. Hij noemde een beroep „niet kansloos”, maar schetste ook een grimmig beeld van hoe dat gaat: „Ter zitting wordt het één van de acht zaken, en er zit geen sticker op met: doe extra je best.”

Dus Connie wilde naar staatssecretaris Teeven.

„Je moet het beroep afwachten”, zei ik.

Zij: „Maar Sharif is zo’n jongen: die houdt op met eten.”