En dan ontdek je dat alles over liefde gaat

23 jaar na zijn laatste solo-cd brengt zanger, gitarist en componist Henny Vrienten weer een eigen album uit, En Toch… , met intieme, persoonlijke gitaarliedjes.

foto andreas terlaak

Opdrachtmuziek noemt hij het, de muzikale bouwstenen die hij levert voor films, de liedjes voor Sesamstraat, Klokhuis of musicals. Met persoonlijke liedjes, zegt Henny Vrienten, is het een heel ander verhaal, want die liedjes, daar gá je naar zijn idee dus niet over. Die dringen zich langzaam aan je op. Een regel. Nog eens een regel. De liedjes, wil hij maar zeggen, zijn de baas. Hij is de toeschouwer die noteert, wat inzingt, maar vooral maanden bewaart in zijn hoofd. En blijft het daar zitten, dan is het goed. Als het eruit valt, „had je het niet hoeven hebben”.

Drie decennia na Doe Maar en drieëntwintig jaar na zijn laatste soloalbum Mijn hart Slaapt Nooit heeft zanger, gitarist en componist Henny Vrienten weer een eigen album: En Toch… In veertien akoestische gitaarnummers, geproduceerd door Daniël Lohues en begeleid door zijn zoon Xander Vrienten en de band My Baby, put hij van binnen uit. Het is een intiem en integer album waarop hij mijmert en reflecteert. Het ego even geparkeerd, het hart weemoedig open. Met een liedje over zijn aftakelende moeder. Over hoe vriendschap kan wankelen. Over vergetelheid. Of juist de ontspannenheid die hij vindt als hij in een hangmat de beesten in de wolken zoekt.

Vlak voor de release van En Toch... ontvangt hij op de vergaderzolder boven een koffiehuis van zijn platenlabel Top Notch, pal op de Wallen. Het is een knusse no-nonsens plek met een paar oude fauteuils die Henny Vrienten (66) zichtbaar bevalt. De handdruk komt van links. Van zijn rechterhand laat hij straks even een röntgenfoto maken. „Voetbalongevalletje, zal wel niets zijn”, wuift hij weg. Verder gaat het goed met hem. Hij voelt zich senang. En is trots „op dat plaatje”.

Zijn hoofd is een onuitputtelijke bron van melodieën. Óf het komt, daar heeft Vrienten nooit zorgen over. „Ik werk nu aan muziek voor een aantal documentaires. Over de familie Heerma van Voss bijvoorbeeld, of over het Zeeuwse Vrouwenpolder waar de lotto viel. Dan ga ik er ’s morgens rond tien uur voor zitten, meestal in mijn studio, met een gitaar of achter de piano, en dan kijk ik naar tekst of beeld en zeg als het ware: kom er maar uit.”

Dat is een comfortabel uitgangspunt, erkent hij. De werking van het brein is onnavolgbaar. Hij vertelt hoe hij met een wetenschapper aan de Akademie van Kunsten en Wetenschappen een project gaat opzetten om het muzikale geheugen te proberen te doorgronden. „Hoe het muziekgen alles opslaat, wonderbaarlijk toch? Deuntjes van vroeger; drie noten en ik ken het. Alles wat je ooit hebt gehoord, is ergens opgeslagen. Dat je iets creëert dat al ergens op lijkt is dus niet zo gek. Toen Paul McCartney Yesterday schreef kon hij zich niet voorstellen dat het niet al bestond. Het was immers zo’n goede melodie. Dat gevoel herken ik. Ik toets iets nieuws vaak bij vrienden: ken je dit al?”

Hij memoreert de soundtrack die hij maakte bij de verfilming van Haasses roman Oeroeg (1993). In een scène loopt de hoofdrolspeler door een uitgebrand en uitgemoord dorp. „Daar had ik een zwaar gestreken melodie onder gezet.” Zingt voor met gedragen stem: „Tááá-dááá-daa.” „Voor de fluit vroeg ik Fay Lovsky. Direct zong zij: Vóóó-lááá-re. Ik trok wit weg. Dezelfde noten. Verre van wat ik had bedoeld en in zo’n andere context.”

Dat hij op En Toch... persoonlijk wordt, heeft hem zelf zeer verbaasd. Dit is geen muziek waar je iets in moet gaan vinden. Dit is waarachtig.” Hij lacht, even wat ongemakkelijk. Was hij niet de meester in het maskeren van zijn échte gevoelens. En liedjes schrijven – is dat eigenlijk niet een beetje goedkope psychiatrie?

Onthullend vindt hij het hoe sommige liedjes werden. Ook door zijn lichthese stem met Brabants accent. Als arrangeur valt er aardig wat te maskeren met pakkende gitaardingetjes, muzikale hooks en een intro dat je niet vergeet. Maar in deze kale, kleine akoestische nummers draagt Vrientens stem, krakend zacht. „Dingen die ik leuk vind, worden goed. Als ik iets doe vanuit andere motieven, omdat de schatkist leeg raakt, wordt het minder. Deze plaat heeft niets met verdienen te maken. Een liedje van Sesamstraat mag ook geen zesje zijn. Ik ga er rustig een maand mee door tot het goed is.”

In de Doe Maar-tijd kreeg zijn vader met Pa een lied. Zijn moeder, anderhalf jaar terug overleden, wordt nu bezongen in Lieske. Een schrijnend liedje over de onttakeling van een ‘vrolijk leuk mens’ waaraan niet viel te omkomen. Als ‘braaf katholiek jongetje’ belde hij elke avond. Maar de gesprekken werden steeds korter, met stoplappen als: ‘het is allemaal wat’. En ’s- nachts, vertelt hij, ging zijn blinde moeder dolen over de gangen van het verzorgingstehuis. De deur moest op slot. Op ontroerende wijze zingt Vrienten „hoe je danste als je kookte, hoe je rookte met onwennige gebaren…” In de studio kreeg hij het zijn keel niet uit. „Ze was 93 en stierf in mijn armen. Al die gevoelens moesten in een liedje. In de studio brak ik volledig.”

Wordt dat live moeilijk, denkt hij? „Nee. Het is een mooi liedje. Mijn moeder moet zich nu maar rustig houden.”

Overdreven en gechargeerd

Bij Doe Maar was het bravoure. Alles overdreven en gechargeerd. „In 1 Nacht Alleen noemde ik dertig meisjesnamen, van wie ik er in het echt misschien maar twee echt kende. Nachtzuster, het was a yearn for attention. Ik vond het geestig. Dat bluffen, dat deed je meer voor de band. De buitenwacht zag er waarheden in.”

Wat zich nu aandient is natuurlijk anders dan die jongeman van dertig in het nachtleven. „Het is het bekende verschijnsel dat je, wanneer je ouder wordt, meer connectie met je jeugd krijgt. In het brein gaan meer compartimentjes open. En ik voelde me losser. Eigenlijk mag iedereen nu alles weten.”

Cynisch: „En dan nu de afdeling gezwollen woorden… Als dertiger ligt de wereld op je te wachten. Het is niet stoer om sentimenteel te zijn. Uiteindelijk kom je erachter dat alles om liefde gaat. Voor je kinderen, je familie, vrienden, gitaar. En dan de dood.”

Maar het is niet allemaal zwaarbeladen. Zo bezingt hij zijn eerste gitaar in een liedje dat hij schreef voor het project Gitaarjongens, een avond met gitaristen in Carré.

„Iedereen bracht daar zijn eerste liedje en het nummer waar ze het meest trots op waren, om te tonen: dit heeft mijn gitaar mij gebracht.” Vrienten is meer dan een bewonderaar van het instrument. Een groot verzamelaar, ja, die niet zal rusten voor hij die mooie van dat verboden houtsoort heeft. En zeker niet vrij van enig snobisme, omdat „bepaalde merken er gewoon niet in komen”.

Meer poëtisch ziet hij de gitaar, the poor man’s piano, „als paspoort van het ene naar het andere leven”. Als jongetje in het ‘lelijke’ Tilburg met zijn neus tegen het raam van de enige gitaarwinkel. Die Duitse gitaar die daar hing... Had je díe dan werd je goed. „De gitaar was de sleutel die mij uit een arbeidersgezin rukte. Dat instrument heeft mij zoveel gebracht. Steeds verkocht ik mijn gitaar voor een nieuwe. Pure jongensromantiek.”

De weemoed krijgt de ruimte. „Als ik had geweten dat ik alles zou vergeten had ik beter rondgekeken, had ik beter opgelet”, is het treffende refrein van De Namen En De Plaatsen. Met zijn leeftijd wordt Vrienten geconfronteerd met vergetelheid. Hij stelt vast hoe rafelige en moeilijke momenten makkelijker bewaard zijn dan de mooie momenten. „We nemen veel voor lief. Ik zie in een oude agenda dat ik in 1981 260 keer optrad. Weet je dat ik me daar weinig van kan herinneren? Terwijl ik best een bewust persoon was in die tijd. Het is een snoer waarvan je de kralen niet meer kent. Met het bandje gingen we dóór en dóór. Maar als ik echt wat wil weten, ga ik naar mijn vriend Ernst Jansz, de archivaris. Hij weet alles en heeft alles bewaard, van setlijst tot foto’s.”

Vrientens gevoel over Doe Maar verandert steeds weer. Het hangt aan periodes. De doorbraak van het bandje met zijn liefde voor ska en reggae en directe teksten, het stoppen om de beangstigende populariteit en „kinderen van zes die Je Loopt Je Lul Achterna meezongen”, de onderlinge verkilde verstandhouding erna, en dan het elkaar terugvinden en het herhalend verlangen naar eindeloze reünies waarin late waardering voor hun muziek weldadig aanvoelde.

„Het laatste concert van de reünietournee was in 013 Tilburg. Wat een glorieuze avond was dat. Als een veulen dartelde ik over het podium, ik had het zo in de vingers. Al is dat lijf nu 66 jaar, ik vloog. Ik zag die muzikanten, die mooie Ernst achter dat orgeltje. De connectie met je publiek. Het ontroerde me zo.”

Nu, zegt hij, zien ze elkaar een paar keer per jaar in zijn ‘buitentje’ in het oosten van het land. „Dan koken we, praten we en maken we muziek. Ach, er is iets met dat drietal. Jan Hendriks en ik op gitaar, Ernst op de piano. Je bent zó dat bandje weer. De ballast van de jaren weg, je wordt zo’n jongetje van dat spelen! Tot je onderweg naar het toilet jezelf weer ziet in spiegel en denkt: wie is die man ook weer?”