Weer buiten

De eerste ogenblikken onder de vrije hemel zijn het mooist. Ik had vijf dagen in het ziekenhuis gelegen, wegens longontsteking. Niets te klagen gehad, perfecte verzorging, fatsoenlijke kamergenoten. Ja, ik begon het daar al een beetje gezellig te vinden, met die vertrouwde dokters en verpleegsters. En nu had de dokter gezegd dat ik naar huis mocht, de volgende dag, zo vroeg ik wilde. Wegens allerlei gedoe is dat toch nog een uur of half elf geworden, maar daarover later misschien meer. De eerste vraag is nu of je je daar niet verveelt. Je ligt er 24 uur per dag alleen in je bedje. Wat doe je?

Dit ziekenhuis heeft in het probleem voorzien. Boven ieder bed staat een televisie met radio, bevestigd aan de arm van een soort multiverstelbare hijskraan. Het apparaat heeft ook een koptelefoon en door een tikje tegen het scherm te geven kun je van programma wisselen. Een tutsskrien heet het in tegenwoordig Nederlands. In dat getuts ben ik niet goed en bovendien geen liefhebber van die eigentijdse televisieprogramma’s waarin de talkshowmasters voortdurend zitten te gebaren, met hun armen en handen bewegen, spastisch gedrag vertonen en af en toe in een wijdmuils gelach uitbarsten. Wat is een goed Nederlands woord voor talkshowmaster? Ik stel voor: praatbaas. Daarin is alles samengevat.

Ik zette mijn apparaat dus op de radio en trof na een paar tikjes Classic FM. Ze heten je daar „welkom in de wereld van de klassieken”, maar ze vertellen je niet wat ze ten gehore brengen, Vaak Eine kleine Nachtmusik of Émile Waldteufels wals Les patineurs uit 1882. Die genres. Toen gaf ik een verkeerd tikje op mijn scherm. De hele volgorde lag overhoop. Zo ben ik via mijn koptelefoon in het nauwste contact gekomen met de tientallen Nederlandse radiostations die zich specialiseren in popmuziek. Die moest ik bijna allemaal aftikken voor ik weer bij Classic FM was aangeland.

Soms, als ik een opgebroken rijweg of bouwvakkers aan het werk passeer, vang ik een paar flarden van zo’n popuitzending op. Ja, af en toe hoor je een soort muziek, maar er is ook veel geschreeuw bij, van de presentator en de reclame. Kun je dat nog muziek noemen? Misschien is het eerder een nieuw auditief verschijnsel waarin opgetogen geschreeuw en het geluid van muziekinstrumenten tot een nieuwe eenheid is samengesmolten. Zo lag ik te denken terwijl ik op zoek naar Classic FM vergeefs mijn tikscherm bewerkte. Maar opeens: Clair de lune van Debussy. Raak!

Er gebeurde nog meer interessants. Dit ziekenhuis heeft een gemengde klandizie, vrouwen en mannen op één kamer. Twee dagen voor mijn vertrek kreeg ik twee nieuwe overbuurvrouwen, een wat gezette dame van middelbare leeftijd en een stokoud, broodmager mensje dat haar vitaliteit niet verloren had. Ze probeerde contact te leggen met haar buurvrouw maar die had zich totaal in haar eigen misère gekeerd. Tot haar man kwam, een grote stevige kerel met dienovereenkomstige stem. En hij sprak Amsterdams, zo natuurlijk, zo zuiver als ik het zelden gehoord heb. Ik dacht aan André Hazes, Johnny Jordaan, de Albert Cuyp, de Ten Kate-markt. Door die man ging ik voor het eerst weer naar de buitenlucht verlangen.

Maar ik lag nog vastgeketend. Hebt u ooit in een ziekenhuis gelegen? Er zijn kwalen waarbij de doktoren zich verplicht voelen de patiënt met allerlei hulpmachines te verbinden. Voor zuiver bloed, extra zuurstof, controle van de hartslag, nog veel meer waarschijnlijk. Ik heb er geen verstand van, ik weet alleen dat het je bewegingsvrijheid aanzienlijk beperkt. Ik had een plastic slangetje dat zich aan het einde in tweeën splitste en in mijn neusgaten werd gestopt. Voor extra zuurstof. En een ingewikkelde pleister aan de binnenkant van mijn elleboog, ook met een slangetje, voor antibiotica. Dit geheel was verbonden met een staak op wieltjes waaraan elektrische apparatuur zat die met een snoer aan het stopcontact in de muur was verbonden. Maar ik mocht wel wandelen, voor mijn gezondheid. Dat deed ik en dan kwam ik op de gang meer van die paalwandelaars tegen. We praatten niet met elkaar, we wisselden hoogstens een blik van berusting.

En toen kwam dus het ogenblik van de bevrijding. Er is iets dat je in een ziekenhuis niet hebt: buitenlucht. Mijn vrouw kwam me halen. Samen deden we mijn eerste stappen onder de grauwe najaarshemel, naar de taxi. Toen door een paar gewone straten, de Amstel over. Ik zag alles wat ik honderden malen gezien heb. Maar even totaal anders. Vrijheid. Schrijf er een stukje over, zei een collega op de krant. Bij deze.